Algemene plaatselijke verordening Velsen 2024 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Samenkomsten
Hoofdstuk Openbare inrichtingen
Hoofdstuk Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Hoofdstuk Toezicht en ondermijning
Hoofdstuk Overlast in de openbare ruimte
Hoofdstuk Strand en zee
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Toezicht en ondermijning

Artikel 5:1

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 5:2

Verbod op gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als wapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan is voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 5:3

Verbod gebruik metaaldetector

  1. Het is verboden om met een metaaldetector, een gelijksoortig instrument of anderszins, metalen voorwerpen op te sporen in de door het college aangewezen gebieden.

  2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de Explosieven Opruimingsdienst Defensie.

Artikel 5:4

Cameratoezicht

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 5:5

Gebiedsontzegging

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 dagen niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde bevel als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk acht.

  3. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5:6

Drugshandel op straat en openlijk drugsgebruik

  1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijk doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  2. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 5:7

Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een daarbij behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, beperking van overlast of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang van het gebouw of het erf.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 5:8

Betreden gesloten pand

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 5:7 gesloten voor publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf te betreden.

  3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  4. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 5:9

Nachtregister

  1. In dit artikel wordt verstaan onder inrichting:

    1. elke ruimte waarin, in de uitoefening van een beroep, aan personen nachtverblijf wordt verschaft; en

    2. elk terrein, daaronder begrepen iedere buitenhaven, iedere binnenhaven en elk binnenwater ingericht tot het afmeren van pleziervaartuigen, dat, in de uitoefening van een beroep of als gewoonte, ter beschikking wordt gesteld voor het houden van nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen.

  2. Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding daarvan staakt, is verplicht de burgemeester daarvan binnen drie werkdagen schriftelijk op de hoogte te brengen.

  3. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid te verstrekken:

    1. voorletters;

    2. achternaam;

    3. woonplaats;

    4. geboortedatum;

    5. aantal medereizigers;

    6. dag van aankomst en dag van vertrek;

    7. nummer van het reisdocument of identiteitsbewijs; en

    8. aard van de overgelegde documenten.

  4. Degene die nachtverblijf houdt op een vaartuig is aanvullend op de in het derde lid genoemde gegevens verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van het nachtverblijf volledig en naar waarheid te verstrekken:

    1. naam en contactgegevens schipper;

    2. eigenaar van het schip; en

    3. aantal personen dat overnacht op het schip.

  5. Degene die een inrichting exploiteert of de feitelijke leiding daarover heeft is verplicht:

    1. zich onverwijld bij aankomst van de persoon die in de door hem gehouden inrichting de nacht zal doorbrengen een geldig reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht te doen overleggen;

    2. een doorlopend register bij te houden en daarin onverwijld bij de aankomst van die persoon de in het derde lid, dan wel vierde lid, genoemde gegevens aan te tekenen of te doen aantekenen alsmede zelf daarin aantekening te houden of te doen houden van de aard van het overgelegde document, het nummer van het reisdocument of identiteitsbewijs en, bij het vertrek, de dag van vertrek;

    3. dat register op aanvraag te vertonen aan de burgemeester dan wel aan de door deze aangewezen ambtenaar.

  6. De burgemeester kan een register als bedoeld in het vijfde lid aanwijzen en waarmerken.

  7. Het vijfde lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 438 van het Wetboek van strafrecht voorziet.

Artikel 5:10

Opkopersregister

  1. De handelaar als bedoeld in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is verplicht:

    1. binnen drie dagen de in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen en hierbij tevens zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging te vermelden;

    2. binnen drie dagen een verandering van de onder sub a bedoelde adressen schriftelijk door te geven aan de burgemeester of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

    3. de burgemeester of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen van het feit dat hij van opkopen niet langer zijn beroep of gewoonte maakt;

    4. de burgemeester of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar onverwijld in kennis te stellen van het feit dat hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

    5. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of verkoopregister ter inzage te geven;

    6. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  2. Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen dat het onder hem berust, over te dragen aan een ander of daarin enige wijziging aan te brengen.

  3. De burgemeester kan een register aanwijzen en waarmerken voor het registreren van de in dit artikel en de in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gegevens.

Artikel 5:11

Verkoopregister

  1. De op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed en, voor zover van toepassing, daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. Exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    2. Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    3. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan, voorbereidingsbesluit of de Omgevingswet voor wat betreft een milieubelastende activiteit.

  5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een daarvoor gehanteerd formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    3. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan, voorbereidingsbesluit of de Omgevingswet voor wat betreft een milieubelastende activiteit.

  8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Velsen 2024