Algemene plaatselijke verordening Velsen 2024 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Samenkomsten
Hoofdstuk Openbare inrichtingen
Hoofdstuk Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Hoofdstuk Toezicht en ondermijning
Hoofdstuk Overlast in de openbare ruimte
Hoofdstuk Strand en zee
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare inrichtingen

Artikel 3:1

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • bezoekers van een openbare inrichting: degenen die niet zijn de exploitant dan wel leden van het gezin of de huishouding van de exploitant, leidinggevenden, personen die werkzaam zijn in de openbare inrichting en andere personen van wie de aanwezigheid in de openbare inrichting wegens een dringende reden noodzakelijk is;

  • exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd;

  • leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene of feitelijke leidinggeeft aan een openbare inrichting alsmede de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

  • openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte en het bij de inrichting behorende terras, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval wordt verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, coffeeshop, cafetaria, snackbar, grillroom, discotheek, zalenverhuur, buurthuis en clubhuis en waaronder niet wordt verstaan een speelautomatenhal;

  • terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 3:2

Exploitatievergunning

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum; of

    4. een bedrijfskantine- of restaurant.

  3. Een voor 1 januari 2024 verleende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht, wordt door de burgemeester ingetrokken indien zich een incident voordoet die de woon- en leefsituatie of openbare orde in de directe omgeving van de openbare inrichting negatief beïnvloedt.

  4. De burgemeester vermeldt in de vergunning:

    1. de exploitant;

    2. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    3. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt;

    4. de situering en de oppervlakte van de openbare inrichting en de daarbij behorende terrassen;

    5. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.

  5. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 3:3, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 3:3, vijfde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.

  6. Voor openbare inrichtingen die op 31 december 2023 beschikken over een vrijstelling van de exploitatievergunningplicht, geldt dat de exploitatievergunningplicht gefaseerd wordt ingevoerd.

  7. Voor openbare inrichtingen die op 31 december 2023 beschikken over een vrijstelling van de exploitatievergunningplicht moet een nieuwe aanvraag om een exploitatievergunning worden ingediend in geval van:

    1. een wijziging van de onder lid 4 genoemde aspecten van de bedrijfsvoering; of

    2. een wijziging als bedoeld in artikel 3:3, derde lid.

Artikel 3:3

Aanhangsel bij vergunning

  1. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  2. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester de wens een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven.

  3. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.

  4. Deze aanvraag wordt ingediend door middel van een daarvoor door het bevoegd bestuursorgaan gehanteerd formulier en daarbij worden in ieder geval de daarin gevraagde gegevens en bescheiden overgelegd.

  5. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

  6. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 3:6.

  7. In afwachting van het besluit op de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel mag een nieuwe leidinggevende werkzaamheden uitoefenen vanaf het moment waarop de exploitant een ontvangstbevestiging heeft gekregen op zijn aanvraag als bedoeld in het derde lid, totdat op de aanvraag is besloten.

  8. Op de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:4

Aanvraag

  1. De aanvraag voor een exploitatievergunning wordt ingediend door middel van het daarvoor gehanteerde aanvraagformulier.

  2. Bij de aanvraag worden in ieder geval de in het daarvoor gehanteerde aanvraagformulier gevraagde gegevens en documenten overgelegd.

  3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning, indien:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend omgevingsplan of voorbereidingsbesluit;

    2. niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 3:6 geldende eisen; of

    3. de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten die relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie;

    4. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en

    5. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

Artikel 3:6

Eisen leidinggevende

  1. Leidinggevenden van de openbare inrichting voldoen aan de volgende eisen:

    1. Zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

    2. Zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    3. Zij mogen niet onder curatele staan.

  2. Naast de in het eerste lid gestelde eisen zijn de in hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit gestelde zedelijkheidseisen voor leidinggevenden van overeenkomstige toepassing op de exploitatievergunning voor een openbare inrichting.

Artikel 3:7

Wijziging

  1. Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving als bedoeld in artikel 3:2, vierde lid, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 3:2, vierde lid, vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 3:8

Intrekkingsgronden

  1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:

    1. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 3:6 geldende eisen;

    3. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

    4. de exploitant in de in artikel 3:7 en artikel 3:3 bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.

  2. Een vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken, indien:

    1. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

    2. in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 3:3 om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning is verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste drie maal heeft geweigerd op grond van artikel 3:3, zesde lid.

Artikel 3:9

Vervallen vergunning

De vergunning vervalt van rechtswege indien:

  1. sinds de vergunning onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  2. gedurende een jaar, anders dan vanwege overmacht, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  3. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 3:10

Terrassen

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:5, kan de burgemeester de aanvraag om een exploitatievergunning, die tevens betrekking heeft op de exploitatie van een terras waarbij de weg of een weggedeelte anders wordt gebruikt dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, weigeren indien:

    1. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar of hinder oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; of

  2. het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  3. Exploitanten van terrassen als bedoeld in het eerste lid, die op grond van artikel 2:16 van de Algemene Plaatselijke Verordening Velsen 2019 op 31 december 2023 reeds rechtmatig dit terras exploiteerden, hebben voor de exploitatie van dit terras van rechtswege vergunning.

Artikel 3:11

Toelatingstijden

  1. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden hierin bezoekers toe te laten tussen 02:00 uur en 05:00 uur.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  3. Voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  4. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:12

Tijdelijke sluiting(stijden) en afwijkende toelatingstijden

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk verplichte sluitingstijden of afwijkende toelatingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 3:13

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden een openbare inrichting, niet zijnde een paracommerciële rechtspersoon, voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is:

    1. een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning bedoeld in artikel 3:3, dan wel de vergunning bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet; of

    2. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 3:3 dan wel artikel 3 van de alcoholwet is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  2. Het is verboden in een openbare inrichting:

    1. de orde te verstoren;

    2. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de openbare inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 3:12, eerste lid; en

    3. op of vanuit het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 3:14

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaar.

  2. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden een handelaar of een voor hem handelend persoon in de openbare inrichting toe te laten om hier handelswaar te verwerven, te verkopen of op enige andere wijze over te dragen.

Artikel 3:15

Nadere regels

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen.

Artikel 3:16

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:17

Paracommerciële rechtspersonen

  1. In dit artikel wordt onder alcoholhoudende drank en onder paracommerciële rechtspersoon verstaan dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

  2. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan paracommerciële rechtspersonen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien de paracommerciële rechtspersoon in de directe omgeving, naar verwachting, geen overlast zal veroorzaken of geen negatieve invloed zal hebben op de woon- en leefsituatie en de openbare orde.

  3. De vrijstelling wordt ingetrokken indien er een incident voordoet die de woon- en leefsituatie of openbare orde in de directe omgeving van de openbare inrichting negatief beïnvloedt.

  4. Op de aanvraag om de vrijstelling als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 1 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  6. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Velsen 2024