Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, dan wel te vechten.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt en het e-mailadres en telefoonnummer van de contactpersoon;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:9

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. bouwobjecten, voor zover deze niet zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen opleveren mits wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of stoffen;

    2. objecten bij evenementen als bedoeld in artikel 2:24a lid 5, mits deze objecten gezamenlijk een maximale oppervlakte van 50 m2 hebben. Deze uitzondering geldt niet voor podia, tribunes en/of tenten waar meer dan 50 personen aanwezig kunnen zijn.

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    6. terrassen als bedoeld in artikel 2:30;

    7. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en uitstallingen als bedoeld hierna onder h;

    8. uitstallingen, mits gelegen in door het college aangewezen gebieden en indien voldaan is aan de door het college gestelde regels ten aanzien van uitstallingen;

    9. spandoeken mits aangebracht op de door het college aangewezen locaties en voldaan is aan de door het college vastgestelde regels omtrent spandoeken;

    10. informatiekramen voor zover er niet commerciële informatie wordt verschaft aan het publiek mits wordt voldaan aan de door het college gestelde regels omtrent informatiekramen;

    11. voorwerpen of stoffen van beperkte omvang die tijdelijk boven de weg aangebracht worden als seizoensdecoratie;

    12. Voorwerpen of stoffen die een commercieel en/of informatief doel dienen indien voldaan is aan de door het college gestelde nadere regels.

    13. het aanbrengen van green of reversed graffiti tijdens een evenement of ten behoeve van een maatschappelijk niet-commercieel doel, mits de uiting een niet-commercieel karakter heeft (bv als bewegwijzering) en binnen twee werkdagen na afloop van de activiteit verwijderd is.

    14. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  4. Het is verboden op, aan, over of boven de openbare plaats een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:

    1. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de openbare plaats,

    2. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats, of

    3. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.

  5. Het is verboden objecten te plaatsen die louter bedoeld zijn om reclame te maken en bestaan uit sandwichborden en driehoeksborden.

  6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  8. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  9. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod geldt ook voor alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van de groenvoorziening;

    5. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:15a

Gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen gebruikt kunnen worden, openlijk bij zich te dragen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:16

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen en dergelijke

  1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19

Verbod vuur te stoken

  1. Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden en gedurende de door de burgemeester aangewezen tijden in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste lid kan enkel voorschriften bevatten ter bescherming van:

    1. de flora en fauna;

    2. de openbare orde;

    3. de openbare veiligheid.

  3. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen indien dit onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van de inrichting, gedurende minimaal 40 weken per jaar plaatsvindt en wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;

    7. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:25a tot en met 2:25f van deze verordening.

    8. Sportwedstrijden, anders dan de onder g bedoelde voetbalwedstrijden, die plaatsvinden op daarvoor bestemde locaties, en niet behoren tot door de burgemeester met het oog op openbare orde risico’s aangewezen categorieën sportwedstrijden.

    9. Activiteiten die plaatsvinden in een gebouw dat bestemd en geschikt is voor die activiteiten en waarbij die activiteiten deel uitmaken van het reguliere gebruik van dat gebouw, voor zover die activiteiten geen verband houden met de aanwezigheid of gebruik van levende dieren.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op een openbare plaats, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats, behoudens straatmuziek;

    5. een straatfeest of buurtbarbecue;

Artikel 2:24a

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend niet eerder dan 16 weken en uiterlijk 8 weken vóór de datum van het evenement. De burgemeester kan voor bijzondere en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor vermelde termijn afwijken.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

    1. verkeersveiligheid;

    2. woon- en leefklimaat;

    3. ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit naar het oordeel van de burgemeester een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

  5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement dat voldoet aan de door het college te stellen nadere regels.

  6. De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat of het milieu in gevaar komt.

  7. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. Vergunningen voor vergunningplichtige evenementen die gelijktijdig plaatsvinden met de Vierdaagsefeesten worden, gelet op de belangen in het vierde lid, geweigerd met uitzondering van de vergunningen voor de Vierdaagsefeesten en de Vierdaagsemarsen en voor evenementen die:

    1. een historische relatie hebben met de Vierdaagsefeesten en/of -marsen;

    2. op eigen terrein plaatsvinden, dan wel reeds vergund terras, maar niet in de openbare ruimte;

    3. langs de route van de marsen ligt of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, zodat er een relatie bestaat tussen de activiteiten en de Vierdaagsemarsen;

    4. plaatsvinden op dezelfde tijdstippen als de Vierdaagsemarsen;

    5. geen zelfstandige bezoekersstroom genereert;

    6. een klein evenement zijn;

    7. hun aanvraag jaarlijks vóór 1 maart hebben ingediend, en

    8. niet conflicteren met de belangen van de Vierdaagsefeesten en/of -marsen.

  9. Op de aanvraag om een vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:24b

Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of -marsen

  1. Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsefeesten wordt ingediend uiterlijk op 1 februari van het jaar waarin de Vierdaagsefeesten plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.

  2. Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsemarsen wordt ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar waarin de Vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.

  3. Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid, afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde data.

Artikel 2:24c

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:24d

Beëindiging evenement

  1. De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het bevel geven een evenement te beëindigen.

  2. Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht:

    1. dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft;

    2. ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt;

    3. ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement.

  3. Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het evenement toe te laten.

  4. Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid of in het derde lid, gegeven is.

Artikel 2:24e

Verwijderplicht

Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als bedoeld in artikel 2:24d is gegeven, is eenieder die zich op de plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting.

Artikel 2:25

Betaald voetbalwedstrijden

  1. Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder organisator verstaan:

    1. de betaaldvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie NEC als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

    2. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Nijmegen, waarbij ten minste één betaalvoetbalorganisatie is betrokken;

    3. degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.

  2. Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 2:25a

Voetbalvergunning

  1. Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.

  2. Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd. De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

  3. De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu;

    5. de verkeersveiligheid.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25b

Verbod voetbalwedstrijd

  1. De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd verbieden:

    1. uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    2. indien de krachtens artikel 2:25a derde lid, opgelegde voorschriften niet worden nageleefd;

    3. indien geen of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.

  2. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.

Artikel 2:25c

Orde in verband met voetbalwedstrijden

  1. Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.

  2. Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.

Artikel 2:25d

Verwijderingsplicht voetbalsupporters

Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:25e

Stadionomgevingsverbod

  1. De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het bevel te geven zich niet te bevinden in de omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip van een voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de voetbalwedstrijd.

  2. Het bevel bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 24 maanden.

Artikel 2:26

Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen

  1. Het is verboden tijdens door de burgemeester aangewezen evenementen op de daarbij aangewezen tijden en openbare plaatsen:

    1. gedrukte of geschreven stukken alsmede samples, monsters en anderen goederen die vallen onder het begrip commerciële handelsreclame onder het publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken;

    2. een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook wordt gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is bestemd;

    3. het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis, met uitzondering van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.

  2. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde activiteit plaatsvindt door, namens of met toestemming van de organisator van het evenement.

Artikel 2:27

Definities

  1. In deze afdeling en de daaruit volgende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte:

      1. waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt uitgeoefend;

      2. waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;

      3. waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald;

    2. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

    3. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting;

    4. terras: een buitenruimte (lokaliteit) deel uitmakend van een horecabedrijf, inrichting of instelling waar zit- en/of sta-gelegenheid wordt geboden, voorzien van terrasmeubilair en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt;

    5. pand: het pand ten behoeve waarvan de terrasvergunning wordt aangevraagd.

  2. In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan:

    1. de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. de personen die voorkomen in het register, bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28

Sluitingstijd

  1. Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis, van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  2. De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van tijdelijke aard ontheffing te verlenen van dit verbod.

  3. De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00 uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu.

  4. Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden.

  5. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor zover op de Omgevingswet gebaseerde vergunningsvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 2:28a

Venstertijd

  1. Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, onverminderd de bevoegdheid om voor reeds aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen 04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten.

  2. Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing in de nacht van 31 december op 1 januari.

Artikel 2:29

Toegang ambtenaren van politie

De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die inrichting:

  1. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel

  2. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 2:29a

Ordeverstoring

  1. Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.

  2. Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig spel of een spel te beoefenen waarbij met of om geld, voor geld inwisselbare voorwerpen of goederen wordt gespeeld, dan wel daartoe al dan niet bedrijfsmatig gelegenheid te geven.

  3. Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen van toepassing is.

Artikel 2:30

Terrasvergunningen

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een terras te hebben, voor zover deze zich op de weg bevindt.

  2. In afwijking van artikel 2:10 beslist de burgemeester op een vergunningaanvraag voor een terras.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 is een vergunning zoals genoemd in het eerste lid gebonden aan het pand waarin een horecabedrijf, kiosk of maatschappelijke en recreatieve instelling wordt uitgeoefend

  4. Indien deze vergunning geen voorschriften omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het terras te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning;

    1. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

    2. indien de weg, waarop de aanvraag ziet, niet in de directe nabijheid van het pand is gelegen;

    3. indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Het college kan hiervoor nadere regels vaststellen waarbij het college mag afwijken van het bepaalde in hoofdstuk 1.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning zoals bedoeld in het eerste lid weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving van het terras;

  7. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:31

Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3 van deze verordening te exploiteren (exploitatievergunning).

  2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten inrichtingen.

  3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  4. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de exploitant en de beheerder;

    2. opgaaf gedaan van het adres en de aard en bedrijfsactiviteit van de inrichting;

    3. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.

  5. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

  6. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester.

  7. De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te onderscheiden naar aard en bedrijfsactiviteit.

  8. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  9. Een verleende vergunning kan uitsluitend met betrekking tot de op de vergunning vermelde beheerder op aanvraag van de exploitant worden gewijzigd. Deze aanvraag moet worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. Lid 4 sub a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:32

Aanwezigheid van exploitant en beheerder

Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2:31, zesde lid op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is.

Artikel 2:33

Weigeringsgronden exploitatievergunning

  1. De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, of de wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 2:31 lid 9, indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

    2. de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde inrichtingseisen;

    3. de inrichting gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen gebied;

    4. een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder jonger is dan 21 jaar;

    5. het maximum zoals bedoeld in artikel 2:31 lid 7 is bereikt.

    6. een op aanvraag vermelde exploitant-indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, als bedoeld in artikel 8 Alcoholwet.

    7. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

    8. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde verboden zal worden overtreden of daar gestelde verplichtingen niet worden nagekomen of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

  2. De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting of de bedrijfsactiviteiten.

  3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere inrichtingen;

    6. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd is gebleven.

  4. De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is geweest.

Artikel 2:33a

Intrekkingsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken:

  1. indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  2. indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  3. indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  4. indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten of gedragingen, die leiden tot het oordeel dat er in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag.

Artikel 2:33b

Vervallen vergunning

  1. De vergunning vervalt, indien:

    1. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. er sprake is van een gewijzigde exploitant, die geen nieuwe vergunning heeft aangevraagd;

    3. de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren;

    4. een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend.

  2. Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.

Artikel 2:34

Overgangsbepalingen

  1. Artikel 2:31, eerste lid, is gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de meldingsplicht voor alcoholvrije inrichtingen een melding hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn opgetreden in de gemelde gegevens.

  2. Artikel 2:31, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.

  3. Artikel 2:31, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid genoemde inrichtingen na afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist.

  4. Artikel 2:31, eerste lid, is gedurende vier weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2:27 op grond van het vervallen artikel 2:27 eerste lid onder b niet beschouwd werden als een inrichting, maar wel beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan.

  5. Artikel 2:31, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het vorige lid genoemde inrichtingen na afloop van de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist.

  6. Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde inrichtingen zijn de artikelen 2:31, zevende lid, 2:33, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet van toepassing, voor zover er geen wijziging ten aanzien van de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2:33, vierde lid is niet van toepassing voor zover het sluitingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2:31 betreft.

  7. Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een regeling, beschikt de burgemeester.

Artikel 2:34a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • alcoholhoudende drank;

  • horecabedrijf;

  • horecalokaliteit;

  • inrichting;

  • paracommerciële rechtspersoon;

  • sterke drank;

  • slijtersbedrijf;

  • zwak-alcoholhoudende drank;

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken dagelijks van 12.00 uur tot 00.00 uur, met de volgende uitzonderingen:

    1. een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren en/of het ondersteunen van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot 01.00 uur;

    2. een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren en/of het ondersteunen van sociale interactie tussen studenten kan van 12.00 uur tot 08.00 uur alcoholhoudende drank verstrekken, mits wordt voldaan aan de venstertijden zoals bedoeld in artikel 2:34a van deze verordening.

  2. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  3. Onder bijeenkomst van persoonlijke aard wordt verstaan: een bijeenkomst, waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houdt met de statutaire activiteiten van de paracommerciële instelling.

Artikel 2:34c

Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:34e

Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven

Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken vanuit winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel 18, tweede lid, en artikel 19, tweede lid, onder a, onderdeel 1 van de Alcoholwet:

  1. gedurende de volgendetijdsruimte:

    Gedurende de Vierdaagsefeesten, van zaterdag tot en met vrijdag, dagelijks van 12.00 uur tot 24.00 uur;

  2. in het volgende gebied:

    het gebied, omsloten door de rivier de Waal, Keizer Traianusplein, St. Canisiussingel, Oranjesingel, van Schaeck Mathonsingel, het Stationsplein en de spoorlijn Arnhem-Nijmegen.

Artikel 2:34f

Verbod ‘happy hours’

Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Wet: de Wet op de kansspelen;

  2. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

  3. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet;

  4. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;

  5. beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast;

  6. kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

  7. hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

  8. laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

Artikel 2:39

Exploitatie speelautomatenhal

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

  2. De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een vergunning verlenen, te weten: 2 speelautomatenhallen voor het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld).

  3. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:39a

Bescheiden vergunningaanvraag

De exploitant dient bij de vergunningaanvraag de volgende gegevens en bescheiden over te leggen:

  1. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

  2. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;

  3. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;

  4. een verklaring omtrent het gedrag:

  5. van de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en);

  6. van de beheerder;

  7. een verklaring dat hij beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste lid van de Wet.

Artikel 2:39b

Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en beperkingen

  1. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de exploitant.

  2. In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.

  3. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

    1. de sluitingstijden van de speelautomatenhal;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal;

    3. het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld.

Artikel 2:39c

Weigering vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede lid van de Wet, wordt de vergunning geweigerd, indien:

    1. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

    2. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf een openbare plaats voor het publiek toegankelijk is;

    3. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

    4. de exploitant of de beheerder(s) onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek;

    5. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    6. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het omgevingsplan.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vorige lid, onder b en onder c. Een ontheffing van het bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Artikel 2:39d

Beëindiging vergunning

  1. Indien een overeenkomstig artikel 2:39b, tweede lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant onder overlegging van de in artikel 2:39a, onder d, genoemde bescheiden, binnen drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen.

  2. De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:39e

Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan de burgemeester de vergunning intrekken:

  1. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39c, onder e;

  2. indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken.

Artikel 2:39f

Voortzetting exploitatie na overlijden exploitant

  1. Indien een exploitant komt te overlijden dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen drie maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.

  2. In alle andere gevallen van wisseling van exploitant dient binnen één maand na overname van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.

  3. Zolang op een tijdig ingediende aanvraag niet is beslist, is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden:

    1. op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben;

    2. op een openbare plaats vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen;

    3. op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken, te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak of anderszins te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45

Bescherming groenvoorziening

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen en/of paddenstoelen te plukken.

Artikel 2:46a

Overlast skateboarden

  1. Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen.

  2. Het is verboden te skateboarden op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

  3. De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van:

    1. het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van verkeersdeelnemers en de verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg;

    2. de voorkoming of opheffing van hinder of overlast;

    3. de voorkoming van schade.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen

  1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet of in artikel 2:31;

    2. de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  3. Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan een door de burgemeester aangewezen gebied, verboden dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst het gebied, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze aanwijzing.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. zich in een portiek of poort op te houden;

    2. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:49a

Verbod slapen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden een openbare plaats op een voor anderen hinderlijke wijze als slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig, woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen.

  2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is.

  3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld, verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op de Openluchtrecreatie van toepassing is.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:50b

Sluiting van publiek toegankelijke ruimten

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de ruimte die het betreft.

  2. Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn.

  3. Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden.

  4. Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering van:

    1. de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners van de bij de ruimte behorende woning;

    2. logeergasten;

    3. hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt vereist.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan:

  1. tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

  2. indien dit schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig ervan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.

  3. in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Degene die zich met een hond op of aan de openbare plaats bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, edoch het een goed zittende korf is die niet knelt, schuift of tegen de neus duwt, die geen harde of snijdende randen heeft, waarin de hond goed kan ademen, hijgen, drinken en ten behoeve van training een beloning kan aannemen.

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid en/of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf een openbare plaats zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoal die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet , bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van een openbare plaats is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die openbare plaats niet kan bereiken.

Artikel 2:66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:68a

Handel in horecabedrijven

Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:72

Vuurwerk verkooppunten

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde afstandscriterium. Onder consumentenvuurwerk wordt in dit artikel verstaan vuurwerk van categorie F1 of F2 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  2. Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer indienden, geldt het verbod van lid 1 niet.

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk

  1. Het is verboden om consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen. Onder consumentenvuurwerk wordt in dit artikel verstaan vuurwerk van categorie F2 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  2. Het is verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of distikstofmonoxide(lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74b

Samenscholing

  1. Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of distikstofmonoxide(lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II of daarop gelijkende waar te gebruiken, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet.

  2. Eenieder die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:3, 2:10, 2:11, 2:15, 2:15a, 2:16, 2:25c, 2:25d, 2:25e, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 4:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:

    1. parkeerterreinen;

    2. overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.

  3. Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten.

Artikel 2:78

Verblijfsontzeggingen

  1. De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde of zedelijkheid aan een persoon het bevel te geven zich anders dan in een openbaar middel van vervoer niet te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd.

  2. Een verblijfsontzegging geldt voor een periode van ten hoogste twaalf weken.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste lid opgelegde verblijfsontzegging.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen