1. Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3 van deze verordening te exploiteren (exploitatievergunning).

  2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten inrichtingen.

  3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  4. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de exploitant en de beheerder;

    2. opgaaf gedaan van het adres en de aard en bedrijfsactiviteit van de inrichting;

    3. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.

  5. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

  6. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester.

  7. De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te onderscheiden naar aard en bedrijfsactiviteit.

  8. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  9. Een verleende vergunning kan uitsluitend met betrekking tot de op de vergunning vermelde beheerder op aanvraag van de exploitant worden gewijzigd. Deze aanvraag moet worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. Lid 4 sub a is van overeenkomstige toepassing.