1. De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, of de wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 2:31 lid 9, indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

    2. de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde inrichtingseisen;

    3. de inrichting gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen gebied;

    4. een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder jonger is dan 21 jaar;

    5. het maximum zoals bedoeld in artikel 2:31 lid 7 is bereikt.

    6. een op aanvraag vermelde exploitant-indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, als bedoeld in artikel 8 Alcoholwet.

    7. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

    8. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde verboden zal worden overtreden of daar gestelde verplichtingen niet worden nagekomen of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

  2. De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting of de bedrijfsactiviteiten.

  3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere inrichtingen;

    6. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd is gebleven.

  4. De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is geweest.