Algemene plaatselijke verordening gemeente Emmen 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
Paragraaf AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN
Paragraaf AFDELING 2 BETOGING
Paragraaf AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN EN UITDELEN VAN GOEDEREN OM NIET
Paragraaf AFDELING 4 VERTONINGEN OP DE WEG
Paragraaf AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG
Paragraaf AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG
Paragraaf AFDELING 7 EVENEMENTEN
Paragraaf AFDELING 8 BETAALD VOETBALWEDSTRIJDEN
Paragraaf AFDELING 9 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
Paragraaf AFDELING 10 VUURWERK EN CARBID
Paragraaf AFDELING 11 DRUGSOVERLAST
Paragraaf AFDELING 12 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN EN AANPAK WOONOVERLAST
Paragraaf AFDELING 13 TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN/OF MALAFIDE ONDERNEMERSKLIMAAT
Paragraaf AFDELING 14 TIJDELIJKE SLUITING VAN VOOR PUBLIEK TOEGANKELIJKE GEBOUWEN.
Paragraaf AFDELING 15 VOORKOMEN VAN HELING
HOOFDSTUK TOEZICHT OP INRICHTINGEN
HOOFDSTUK BESCHERMING MILIEU, NATUURSCHOON EN UITERLIJK AANZIEN GEMEENTE
Paragraaf AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING
Paragraaf AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING
Paragraaf AFDELING 3 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST
Paragraaf AFDELING 4 NAAKTRECREATIE EN KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, SLOT- en OVERGANGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK

TOEZICHT OP INRICHTINGEN

Artikel 3:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een inrichting.

  2. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een openbare inrichting, een automatenhal, een seksbedrijf of een escortbedrijf wordt uitgeoefend.

  3. Horecabedrijf: een activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.

  4. Inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 3:2

Beslistermijn

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 neemt het bevoegd bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, artikel 3:16, eerste lid en artikel 3:30, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

  3. In afwijking van het eerste lid wordt het besluit van het bevoegd bestuursorgaan aangehouden tot het moment dat een besluit wordt genomen over een op de inrichting betrekking hebbende aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, artikel 3, eerste lid onder a, van de Alcoholwet of artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, alsmede tot het moment dat een nader onderzoek als bedoeld in artikel 7 van de Wet Bibob is afgerond en de uitkomsten daarvan bij de besluitvorming kunnen worden betrokken.

Artikel 3:3

Indieningsvereisten

Bij een aanvraag om vergunning worden tenminste de volgende bescheiden overgelegd:

  1. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;

  2. een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de exploitant danwel de beheerder(s) gerechtigd is/zijn om over de inrichting te beschikken en te gebruiken voor het beoogde doel;

  3. indien naast de exploitant en beheerder(s) nog andere personen in dienst zijn welke direct leidinggeven, moet hiervan een arbeidsovereenkomst worden overgelegd, waaruit blijkt dat deze daadwerkelijk in de inrichting werkzaam zijn;

  4. een plattegrond van de inrichting, met daarop aangegeven de bedrijfsindeling, alsmede bij de inrichting behorende terrassen (schaal tenminste 1:100).

Artikel 3:4

Algemene weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 worden vergunningen als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, geweigerd als:

    1. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan in de in de betreffende afdeling gestelde eisen;

    2. de vestiging of de exploitatie van de inrichting -met uitzondering van een escortbedrijf- in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    3. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een door de raad vastgesteld besluit, waarin gemeentelijk vestigingsbeleid is uitgewerkt, dan wel in strijd is met nadere regels als bedoeld in artikel 3:6.

  2. De vergunning kan eveneens worden geweigerd dan wel ingetrokken in de gevallen en onder de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 7 juncto 3 van de Wet Bibob.

Artikel 3:5

Bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van het bepaalde in deze afdeling.

Artikel 3:6

Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:4, artikel 3:10, 3:16, 3.18 en artikel 3:30 genoemde belangen –elk voor deze van toepassing zijn op de bedoelde inrichting-, kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Artikel 3:7

Beëindiging exploitatie

  1. De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft beëindigd.

  2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.8

Wijziging beheer

  1. Indien een beheerder het beheer in de inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend.

Artikel 3.9

Algemene begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. Openbare inrichting:

      1. een hotel, restaurant pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

      2. elke andere voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;

    2. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

  2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 3.10

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De aanvraag om vergunning geschiedt op een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. De vergunning is op naam van de exploitant van de openbare inrichting gesteld en is niet overdraagbaar.

  4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum;

    4. gebouwen in gebruik voor het belijden van een godsdienst.

  5. De burgemeester kan voor bepaalde categorieën van openbare inrichtingen vrijstelling van de vergunningplicht verlenen;

  6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3.11

Vereisten

  1. De exploitant en de beheerder(s) moeten voldoen aan de volgende eisen:

    1. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

    2. de exploitant en de beheerder(s) moeten tenminste de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid onder b.

Artikel 3.12

Weigeringsgronden

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3:4 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op een ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed;

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is

Artikel 3.13

Tijdelijke sluiting onder bijzondere omstandigheden

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefsituatie in de omgeving, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen, tijdelijk sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.

Artikel 3.14

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 3:13, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 3.15

Algemene begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder:

  1. Automatenhal (speelautomatenhal): een inrichting als bedoeld in artikel 30c, lid 1b, van de Wet op de kansspelen, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen;

  2. Hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend en

  3. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staan en waar geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

  4. Kansspelautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30 onder c van de Wet op de Kansspelen;

  5. Speelautomaat: een toestel, als bedoeld in artikel 30 onder a van de Wet op de Kansspelen, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.

Artikel 3.16

Aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten

  1. De burgemeester kan een aanwezigheidsvergunning verlenen, indien zij het aanwezig hebben van één of meer kansspelautomaten betreft:

    1. in een hoogdrempelige inrichting, waarbij maximaal twee kansspelautomaten aanwezig mogen zijn;

    2. in een inrichting, anders dan onder a, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen (speelautomatenhal).

  2. De personen die de inrichting als bedoeld in het eerste lid onder a en b in eigendom hebben, mogen alleen speelautomaten in de inrichting aanwezig hebben, welke in eigendom toebehoren aan een exploitant welke in het bezit is van een geldige exploitatievergunning, zoals bedoeld in artikel 30h lid 1 van de Wet op de Kansspelen.

  3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:17

Combinatie met exploitatievergunning

Ten aanzien van een hoogdrempelige inrichting wordt slechts een vergunning verleend voor het aanwezig hebben van speelautomaten, indien tevens een vergunning is verleend voor de exploitatie van de openbare inrichting.

Artikel 3:18

Speelautomatenhallen & Leisure

Ten aanzien van een inrichting, zoals genoemd in artikel 3:16, eerste lid onder b gelden tevens de volgende voorwaarden:

  1. het aantal speelautomatenhallen is vastgesteld op een maximum van drie;

  2. de burgemeester verleent slechts een vergunning voor locaties met een belangrijke leisure-functie of – potentie;

  3. de vergunning wordt voor de duur van tien jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar;

  4. de vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3.19

Indieningsvereisten speelautomaten

In aanvulling op de vereisten uit artikel 3:3 worden bij een aanvraag om vergunning tenminste de volgende bescheiden overgelegd:

  1. een bewijs waaruit blijkt wat de totale investering is en dat deze met voldoende zekerheden is afgedekt met een financiering, dan wel uit eigen middelen is gefinancierd;

  2. bescheiden waaruit blijkt dat aan de eisen inzake kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico’s voor kansspelverslaving is voldaan, conform hetgeen is gesteld in artikel 30d van de Wet op de kansspelen;

  3. een bewijs van lidmaatschap van de VAN Speelautomaten brancheorganisatie;

  4. een verklaring waaruit blijkt dat de ondernemer zijn onderneming inpast in een hoogwaardig, meeromvattend Leisure concept en in het kader van de productdifferentiatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 30n van de Wet op de Kansspelen juncto artikel 13 van het Speelautomatenbesluit een ideale mix van speelautomaten opstelt.

Artikel 3:20

Weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:4 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. het maximum aantal speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 3:18, onder a is bereikt;

    2. de speelhal naar het oordeel van de burgemeester niet wordt ingepast in een hoogwaardig, meeromvattend Leisure concept;

    3. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    4. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft/hebben bereikt;

    5. op de exploitant en/of de beheerder(s) één of meer van de criteria, als genoemd in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit, van toepassing zijn;

    6. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal, of het karakter van de winkelstraat/-buurt, of de openbare orde op een ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid onder d.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:21

Intrekken vergunning

Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken:

  1. als de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode langer dan zes maanden wordt onderbroken;

  2. als het KEMA- keur certificaat door de exploitant in het eerste jaar van exploitatie van de speelautomaat niet wordt verkregen dan wel naderhand wordt verloren.

Artikel 3:22

Algemene begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. alcoholhoudende drank;

  2. horecabedrijf;

  3. horecalokaliteit;

  4. inrichting;

  5. paracommerciële rechtspersoon;

  6. sterke drank;

  7. slijtersbedrijf en

  8. zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 3:23

Verbod happy hours

Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit of op het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 3:24

Schenktijden bij paracommerciële rechtspersonen

  1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank in hun lokaliteit binnen de maximale tijden, afhankelijk van de door hen te maken keuze uit de vergunningmodellen A of B:

    1. ingeval vergunning model A:

      1. maandag t/m vrijdag: van 17.00 uur tot 23.00 uur

      2. zaterdag en zondag: van 11.00 uur tot 20.00 uur

    2. ingeval vergunning model B

      1. maandag t/m vrijdag: van 18.00 uur tot 24.00 uur

      2. zaterdag en zondag: van 11.00 uur tot 24.00 uur

  2. Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigings- en wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 1,5 uur na beëindiging van deze activiteiten.

  3. Paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele, educatieve, recreatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard, die zich met name richten op activiteiten waarbij de sociale interactie een voorname rol speelt, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank in het kader van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, met dien verstande dat de verstrekking niet plaatsvindt vóór 11.00 uur en niet ná 24.00 uur.

  4. Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het derde lid verenigingsactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 1,5 uur na beëindiging van deze activiteiten.

  5. De burgemeester kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde tijden.

Artikel 3:25

Bijeenkomsten derden bij paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommerciële rechtspersoon kan per kalenderjaar alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste acht bijeenkomsten van persoonlijke aard/bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

    1. In uitzondering op artikel 3:25 sub a kan een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, waarmee bedoeld wordt paracommerciële rechtspersonen met een buurt- en dorpshuis functie, per kalenderjaar alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste twaalf bijeenkomsten van persoonlijke aard/ bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 14 dagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan mededeling aan de burgemeester.

Artikel 3:26

Schenken sterke drank bij paracommerciële rechtspersonen

Het is verboden in een paracommerciële inrichting sterke drank te verstrekken.

Artikel 3:27

Sluitingstijd bij paracommerciële rechtspersonen

  1. Paracommerciële inrichtingen dienen uiterlijk één uur na afloop van de tijden, genoemd in artikel 3:24, gesloten te zijn;

  2. Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

Artikel 3:27a

Proeverijen in slijtersbedrijven

Het is toegestaan voor de vergunninghouder van een slijtersbedrijf, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Alcoholwet, om een proeverij in de slijtlokaliteit te organiseren. De voorwaarden opgenomen in het Alcoholbesluit zijn van toepassing.

Artikel 3:28

Algemene begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt.

  2. Bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft een voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  3. Escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  4. Klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten.

  5. Prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling.

  6. Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling.

  7. Prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie.

  8. Raamprostitutie: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling.

  9. Seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling.

  10. Seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar, alsmede een bedrijfsmatig thuisprostitutiebedrijf in een (deel van) een woning.

Artikel 3:29

Afbakening

De artikelen 1:2 tot en met 1:6 en artikel 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:30

Vergunning

  1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

  2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  4. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting verleend.

  5. De vergunning wordt voor de duur van vijf jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.

  6. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:31

Maximaal aantal vergunningen voor seksinrichtingen

  1. Er kan voor in totaal ten hoogste vier seksinrichtingen van prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, vergunning worden verleend.

  2. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf en een bedrijfsmatig thuisprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

Artikel 3:32

Aanvraag

  1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    3. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    6. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    7. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

    8. indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    11. ingeval een seksinrichting, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    12. ingeval een seksinrichting, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

  3. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

  4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:33

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd als:

    1. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    2. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    6. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    7. de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    8. de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500,- euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

      2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

      4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie;

    9. het maximum als bedoeld in artikel 3:31 lid 1 al is bereikt;

    10. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening;

  2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld:

    1. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    2. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,= bedraagt.

  3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

    1. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:35, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    2. als niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:32 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door de burgemeester gestelde termijn aan te vullen;

    3. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    4. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    5. als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:42, eerste en tweede lid;

    6. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:41 gestelde verplichtingen zal naleven.

Artikel 3:34

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    1. de exploitant;

    2. voor zover van toepassing, de beheerder;

    3. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    6. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

    7. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    8. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

    9. het nummer van de vergunning.

  2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en dat tevens aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:35

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken als:

    1. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    2. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    3. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:36, 3:39, aanhef en onder a, 3:40, tweede lid, 3:41 en 3:42;

    4. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

    5. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid, onder a tot en met h;

    6. de vergunninghouder dat verzoekt;

    7. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan of een beheersverordening.

  2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

    1. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    2. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    3. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    4. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

    5. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    6. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

    7. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    8. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    9. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:36

Melding gewijzigde omstandigheden

De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:34, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:37

Verlenging vergunning

  1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:30, 3:31, 3:32, 3:33, 3:34 en 3:42, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overlegd dienen te worden.

  2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Artikel 3:38

Opening- en sluitingstijden seksinrichtingen

  1. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:7 de openingstijden en het verplichte sluitingsuur voor een afzonderlijke seksinrichting vaststellen.

  2. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven buiten de toegestane openingstijden.

  3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden buiten de toegestane openingstijden.

  4. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt tot de seksinrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 3:39

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:34, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:34, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en

  3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Artikel 3:40

Prostituees

  1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

  2. Het is een exploitant van een seksinrichting of een escortbedrijf verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

    1. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    2. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

  3. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:41

Verplichtingen van exploitant en beheerder prostitutiebedrijf of escortbedrijf

  1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf of een escortbedrijf draagt er zorg voor dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf of escortbedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. de voor of bij het prostitutiebedrijf of escortbedrijf werkzame prostituees zich tenminste vier keer per jaar geneeskundig op seksueel overdraagbare aandoeningen en overige aan het beroep gerelateerde klachten door een arts naar eigen keuze kunnen laten onderzoeken.

    3. medewerkers van de namens de gemeente toezichthoudende gezondheidsdienst GGD Drenthe en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn een toetsing van de hygiëne-eisen of voorlichtings- en preventie-activiteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    4. tenminste één keer per jaar voor eigen rekening een hygiënecontrole in het prostitutiebedrijf wordt uitgevoerd.

    5. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval:

      1. de voor of bij het prostitutiebedrijf of escortbedrijf werkzame prostituees;

      2. de verhuuradministratie;

      3. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf of escortbedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, onder k;

      4. de werkroosters van de beheerders;

      5. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    6. politieambtenaren en bevoegde gemeentelijke toezichthouders worden toegelaten tot de seksinrichting of het kantoor van het escortbedrijf voor het uitvoeren van toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet of deze verordening bepaalde;

    7. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

    8. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

    9. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

  3. Het is verboden om een seksinrichting als woonruimte te gebruiken of in gebruik te nemen.

Artikel 3:42

Bedrijfsplan

  1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    1. op het gebied van hygiëne;

    2. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    3. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    4. ter voorkoming van strafbare feiten.

  2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    1. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    2. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    3. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    4. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    5. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    6. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    7. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    8. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    9. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    10. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    11. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    12. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    13. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    14. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    15. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

  5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:43

Raamprostitutie

  1. Het is een prostituee verboden:

    1. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

    2. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:44

Straatprostitutie

Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of op of aan de weg het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:45

Handhaving

Met het oog op de naleving van het in artikel 3:44 gestelde verbod, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 3:46

Verbodsbepalingen klanten

  1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

  2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

Artikel 3:47

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Smartshop: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer vaak wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop.

Artikel 3:48

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een smartshop te exploiteren.

Artikel 3:49

Indieningsvereisten smartshops

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. Opgaaf gedaan van de personalia van de exploitant;

    2. Opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige beheerder;

    3. Overgelegd een recente pasfoto van de exploitant en beheerder(s);

    4. Opgaaf gedaan van het adres en de aard van de bedrijfsuitoefening;

    5. Overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de exploitant en beheerder(s) afgegeven verklaring omtrent het gedrag;

Artikel 3:50

Vereisten

De exploitant en de beheerder(s) moeten voldoen aan de volgende eisen:

  1. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  2. heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.

Artikel 3:51

Nadere regels

De burgemeester kan nadere regels vast stellen voor die smartshop geldende nadere voorwaarden.

Artikel 3:52

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

  2. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden.

Artikel 3:53

Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een smartshop voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende of beheerder(s) aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.

Artikel 3:54

Intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien:

    1. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    2. een leidinggevende van de inrichting toestaat danwel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    3. een leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    4. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    5. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;

    6. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;

    7. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.

Artikel 3:55

Vervallen vergunning

De vergunning vervalt indien een vergunning, strekkende ter vervanging van een eerdere vergunning voor dezelfde inrichting, is verleend.

Artikel 3:56

Sluiting van inrichtingen

  1. De burgemeester kan inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren:

    1. indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 3:57

Toegang opsporingsambtenaren

De leidinggevende en beheerder(s) van de smartshop is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door burgemeester en wethouders of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:

  1. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel

  2. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 3:58

Overgangsbepaling

Op bestaande smartshops als bedoeld in artikel 3:47 is het bepaalde in artikel 3:48 (vergunningplicht) niet van toepassing:

  1. gedurende 13 weken na het in werking treden daarvan

  2. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:48 is ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Emmen 2025