1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige manier dat aan weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor hen hinder of gevaar oplevert.

  2. Het is, onverminderd het bepaalde in bestaande wettelijke bepalingen, verboden op, aan of boven een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg, of tot gevaarlijke situaties op de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien, te laten vallen of daarop te laten. De in de eerste zin genoemde voorwerpen of stoffen dienen onmiddellijk of op aanwijzing van een ambtenaar van politie of een toezichthouder te worden verwijderd.

  3. Het is ook verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de openbare plaats voorwerpen of stoffen aan te brengen of te hebben als deze door hun omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging hinder of gevaar opleveren.

  4. Het verbod in het derde lid geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste rand van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht

  5. Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994.