1. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel 2:27, een openbare inrichting of een terras sluiten als daar:

    1. is gehandeld zonder geldige vergunning als bedoeld in artikel 2:20;

    2. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

    3. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn of zijn verworven of overgedragen;

    4. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    5. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of

    6. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting of het terras ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 intrekken of schorsen als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of het terras of als naar zijn oordeel de manier van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 2:20, derde lid, onder b, en vierde lid, onder d, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen.