1. In dit artikel wordt verstaan onder voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf: een gebouw of erf als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet, met uitzondering van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:19, eerste lid en onder b, of een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, onder k.

  2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf.

  3. Op aanvraag kan de burgemeester een sluiting opheffen wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Op de aanvraag om opheffing van de sluiting is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.