-
De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige.
-
De algemene heffingskorting bedraagt € 3.115, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,398% van het gedeelte van het verzamelinkomen dat meer bedraagt dan € 29.736.
Wet inkomstenbelasting 2001 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 25-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Raamwerk
Afdeling 2.1 Belastingplichtigen
Afdeling 2.2 Heffingsgrondslagen
Afdeling 2.3 Verschuldigde inkomstenbelasting
Afdeling 2.4 Toerekeningsregels
Afdeling 2.5 Verzamelinkomen
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 3.2 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.1 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.2 Winst uit een onderneming
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.12a
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.20a
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.29a
- Artikel 3.29b
- Artikel 3.29c
- Artikel 3.29d
- Artikel 3.30
- Artikel 3.30a
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.34a
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.42a
- Artikel 3.42b
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 3.47
- Artikel 3.47a
- Artikel 3.48
- Artikel 3.49
- Artikel 3.50
- Artikel 3.51
- Artikel 3.52
- Artikel 3.52a
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54
- Artikel 3.54aa
- Artikel 3.54a
- Artikel 3.55
- Artikel 3.56
- Artikel 3.57
- Artikel 3.58
- Artikel 3.59
- Artikel 3.60
- Artikel 3.61
- Artikel 3.62
- Artikel 3.63
- Artikel 3.64
- Artikel 3.65
- Artikel 3.66
Paragraaf 3.2.3 Oudedagsreserve
Paragraaf 3.2.4 Ondernemersaftrek
Paragraaf 3.2.5 MKB-winstvrijstelling
Afdeling 3.3 Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1 Belastbaar loon
Afdeling 3.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.2 Resultaat uit een werkzaamheid
Paragraaf 3.4.3 Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Afdeling 3.5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.6 Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Artikel 3.110
- Artikel 3.111
- Artikel 3.112
- Artikel 3.113
- Artikel 3.114
- Artikel 3.115
- Artikel 3.116
- Artikel 3.116a
- Artikel 3.117
- Artikel 3.118
- Artikel 3.118a
- Artikel 3.119
- Artikel 3.119a
- Artikel 3.119aa
- Artikel 3.119b
- Artikel 3.119c
- Artikel 3.119d
- Artikel 3.119e
- Artikel 3.119f
- Artikel 3.119g
- Artikel 3.120
- Artikel 3.120a
- Artikel 3.121
- Artikel 3.122
- Artikel 3.123
Afdeling 3.6a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9 Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.10 Uitgaven voor kinderopvang
Afdeling 3.11 Waardering niet in geld genoten inkomen
Afdeling 3.12 Tijdstip genieten en aftrek
Afdeling 3.13 Verliesverrekening
Afdeling 3.14 Middeling
Afdeling 3.15 Zekerheid omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2 Gelijkstellingen
Afdeling 4.3 Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4 Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.5 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.1 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.2 De omvang van reguliere voordelen
Afdeling 4.6 Vervreemdingsvoordelen
Paragraaf 4.6.1 Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen
Paragraaf 4.6.2 De omvang van vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7 Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8 Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.1 Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
Paragraaf 4.8.1a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking
Paragraaf 4.8.2 Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3 Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9 Genietingstijdstip
Afdeling 4.10 Verliesverrekening
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Afdeling 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 5.2 Vrijstellingen
Afdeling 5.3 Groene beleggingen
Afdeling 5.3A Vrijstelling nettolijfrenten
Afdeling 5.3B Vrijstelling nettopensioen
Afdeling 5.4 Waardering
Afdeling 5.5 Peildatumarbitrage
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.1 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.2 Onderhoudsverplichtingen
Afdeling 6.3 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Afdeling 6.4 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
Afdeling 6.5 Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Afdeling 6.6 Weekenduitgaven voor gehandicapten
Afdeling 6.7 Scholingsuitgaven
Afdeling 6.8 Uitgaven voor monumentenpanden
Afdeling 6.9 Aftrekbare giften
Afdeling 6.10 Tijdstip aftrek
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1 Nederlands inkomen
Afdeling 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 7.5 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8 Heffingskorting
Afdeling 8.1 Aansluiting belasting- en premieheffing
Afdeling 8.2 Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9 Wijze van heffing
Afdeling 9.1 Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 9.2 Bijzondere regels
Hoofdstuk 10 Aanvullende regelingen
Afdeling 10.1 Indexering
Afdeling 10.2 Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3 Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10bis Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Hoofdstuk 10A Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
- Artikel 10a.1
- Artikel 10a.2
- Artikel 10a.3
- Artikel 10a.4
- Artikel 10a.5
- Artikel 10a.6
- Artikel 10a.7
- Artikel 10a.8
- Artikel 10a.9
- Artikel 10a.9a
- Artikel 10a.10
- Artikel 10a.11
- Artikel 10a.12
- Artikel 10a.13
- Artikel 10a.14
- Artikel 10a.15
- Artikel 10a.16
- Artikel 10a.17
- Artikel 10a.18
- Artikel 10a.19
- Artikel 10a.20
- Artikel 10a.21
- Artikel 10a.22
- Artikel 10a.23
- Artikel 10a.24
- Artikel 10a.25
- Artikel 10a.26
- Artikel 10a.27
- Artikel 10a.28
- Artikel 10a.29
- Artikel 10a.30
Hoofdstuk 10b Horizonbepaling
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Afdeling 8.2
Artikel 8.11
-
De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet.
-
De arbeidskorting bedraagt:
8,324% van het arbeidsinkomen met een maximum van € 996, vermeerderd met:
31,009% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 11.965, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.300, alsmede vermeerderd met:
1,950% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 25.845, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.685, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
6,51% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 45.592.
Ingeval het arbeidsinkomen niet meer bedraagt dan € 45.592, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag.
Artikel 8.12
Artikel 8.13
Artikel 8.14
Artikel 8.14a
-
De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:
hij een arbeidsinkomen heeft dat meer bedraagt dan € 6.239;
in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt tot hetzelfde huishouden als de belastingplichtige behoort; en
hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner.
Indien een kind gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden tot de huishoudens van diens beide ouders te behoren indien hij ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. In het jaar van aanvang of beëindiging van co-ouderschap wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend indien ten minste zes maanden sprake is van co-ouderschap.
-
De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt 11,45% van het arbeidsinkomen, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 6.239, doch niet meer dan € 3.032.
-
Indien het arbeidsinkomen van de belastingplichtige in het kalenderjaar gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de inkomensafhankelijke combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige.
-
Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in dat lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.
-
Voor de toepassing van dit artikel wordt met een partner gelijkgesteld:
degene die uitsluitend vanwege de toepassing van artikel 1.2, vierde lid, onderdeelb, niet als partner wordt aangemerkt;
degene die ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige verblijft en uitsluitend door het ontbreken van een inschrijving op dit woonadres in de basisregistratie personen niet als partner in de zin van artikel 1.2 wordt aangemerkt.
Artikel 8.14b
Artikel 8.15
Artikel 8.16
Artikel 8.16a
-
De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.
-
De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923.
Artikel 8.17
-
De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
-
De ouderenkorting bedraagt € 2.067, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 46.002.
Artikel 8.18
-
De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.
-
De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 540.
Artikel 8.18a
Artikel 8.19
-
De korting voor groene beleggingen geldt voor de belastingplichtige van wie groene beleggingen zijn vrijgesteld op grond van artikel 5.13. Voor de belastingplichtige en zijn partner bij wie ingevolge artikel 5.13 een gezamenlijke vrijstelling voor groene beleggingen in aanmerking is genomen, geldt de korting voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk.
-
De korting voor groene beleggingen bedraagt 0,1% van het bedrag dat ingevolge artikel 5.13 op de peildatum is vrijgesteld.
Artikel 8.20
Artikel 8.21
Artikel 8.22
-
De toeslag voor MKB-beleggingen (heffingstoeslag) geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar aandelen vervreemdt ter zake waarvan hij in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande kalenderjaren de korting voor MKB-beleggingen, bedoeld in artikel 8.21, heeft genoten. De toeslag bedraagt 7,5% van de waarde in het economische verkeer van de vervreemde aandelen dan wel, wanneer dat meer is, een bedrag gelijk aan de eerder ter zake van die aandelen genoten korting voor MKB-beleggingen.
-
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding mede verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4.16. Een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 wordt niet als een vervreemding aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen ook andere situaties worden aangegeven die niet als een vervreemding worden aangemerkt.