-
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1, onder l, van de Wet op de huurtoeslag, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;
een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.
-
Een woning wordt voor de periode dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop. Indien een in de eerste volzin bedoelde woning vanaf enig moment in de daar bedoelde periode inkomen uit sparen en beleggen genereert en vervolgens vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit eigen woning, wordt een en ander voor de toepassing van artikel 3.119aa niet aangemerkt als een vervreemding, onderscheidenlijk als een verwerving. Voorts vindt artikel 2.14, derde lid, onderdelen b en c, met betrekking tot deze woning gedurende de in de eerste volzin bedoelde periode geen toepassing en wordt de woning ook gedurende deze periode voor de toepassing van de artikelen 10bis.4 en 10bis.5 aangemerkt als eigen woning.
-
Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder een woning in aanbouw mede verstaan een bouwkavel ter zake waarvan concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van bouwkundige werkzaamheden voor de realisatie van een eigen woning. Ingeval de bouwkundige werkzaamheden zijn gestart, wordt voor de toepassing van de tweede volzin aangenomen dat de concrete stappen, bedoeld in die volzin, in ieder geval zes maanden voor de start van de bouwkundige werkzaamheden zijn gezet.
-
Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de toepassing van dit lid en van het negende lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.
-
Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige gedurende die periode is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom.
-
Een woning die de belastingplichtige gedurende ten minste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode:
de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en
de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.
-
Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel a, wordt indien de woning om niet ter beschikking wordt gesteld niet als derde aangemerkt:
een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van de belastingplichtige, een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van diens partner of een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van degene die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, de partner van de belastingplichtige was;
de partner van de belastingplichtige of degene die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, de partner van de belastingplichtige was;
de persoon die direct voorafgaand aan de periode, bedoeld in het zesde lid, gedurende ten minste twaalf aaneengesloten maanden behoorde tot het huishouden van de belastingplichtige.
-
Het tijdelijk ter beschikking stellen van een woning aan derden, ontneemt daaraan niet het karakter van hoofdverblijf.
-
Bij een belastingplichtige en zijn partner tezamen wordt niet meer dan één hoofdverblijf in aanmerking genomen. Indien partners meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk bij de aangifte kiezen welke van die woningen als zodanig wordt aangemerkt.
-
Indien de belastingplichtige en zijn partner voor een kalenderjaar:
de keuze om één woning als hoofdverblijf aan te merken hebben gemaakt, kan niet op die keuze worden teruggekomen;
geen keuze hebben gemaakt, wordt geen van de woningen als hoofdverblijf aangemerkt.
-
Onder eigen woning wordt niet begrepen een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een gebouw, schip of woonwagen met de daartoe behorende aanhorigheden dat wordt gebruikt:
- 1°
in een onderneming van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van de winst van die onderneming ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht;
- 2°
voor resultaat uit een of meer werkzaamheden van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van dat resultaat ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van het resultaat kan worden gebracht, of
- 3°
in een vennootschap waarin de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, en bij de bepaling van de winst van die vennootschap ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht.
- 1°
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Raamwerk
Afdeling 2.1 Belastingplichtigen
Afdeling 2.2 Heffingsgrondslagen
Afdeling 2.3 Verschuldigde inkomstenbelasting
Afdeling 2.4 Toerekeningsregels
Afdeling 2.5 Verzamelinkomen
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 3.2 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.1 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.2 Winst uit een onderneming
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.12a
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.20a
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.29a
- Artikel 3.29b
- Artikel 3.29c
- Artikel 3.29d
- Artikel 3.30
- Artikel 3.30a
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.34a
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.42a
- Artikel 3.42b
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 3.47
- Artikel 3.47a
- Artikel 3.48
- Artikel 3.49
- Artikel 3.50
- Artikel 3.51
- Artikel 3.52
- Artikel 3.52a
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54
- Artikel 3.54aa
- Artikel 3.54a
- Artikel 3.55
- Artikel 3.56
- Artikel 3.57
- Artikel 3.58
- Artikel 3.59
- Artikel 3.60
- Artikel 3.61
- Artikel 3.62
- Artikel 3.63
- Artikel 3.64
- Artikel 3.65
- Artikel 3.66
Paragraaf 3.2.3 Oudedagsreserve
Paragraaf 3.2.4 Ondernemersaftrek
Paragraaf 3.2.5 MKB-winstvrijstelling
Afdeling 3.3 Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1 Belastbaar loon
Afdeling 3.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.2 Resultaat uit een werkzaamheid
Paragraaf 3.4.3 Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Afdeling 3.5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.6 Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Artikel 3.110
- Artikel 3.111
- Artikel 3.112
- Artikel 3.113
- Artikel 3.114
- Artikel 3.115
- Artikel 3.116
- Artikel 3.116a
- Artikel 3.117
- Artikel 3.118
- Artikel 3.118a
- Artikel 3.119
- Artikel 3.119a
- Artikel 3.119aa
- Artikel 3.119b
- Artikel 3.119c
- Artikel 3.119d
- Artikel 3.119e
- Artikel 3.119f
- Artikel 3.119g
- Artikel 3.120
- Artikel 3.120a
- Artikel 3.121
- Artikel 3.122
- Artikel 3.123
Afdeling 3.6a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9 Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.10 Uitgaven voor kinderopvang
Afdeling 3.11 Waardering niet in geld genoten inkomen
Afdeling 3.12 Tijdstip genieten en aftrek
Afdeling 3.13 Verliesverrekening
Afdeling 3.14 Middeling
Afdeling 3.15 Zekerheid omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2 Gelijkstellingen
Afdeling 4.3 Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4 Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.5 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.1 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.2 De omvang van reguliere voordelen
Afdeling 4.6 Vervreemdingsvoordelen
Paragraaf 4.6.1 Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen
Paragraaf 4.6.2 De omvang van vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7 Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8 Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.1 Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
Paragraaf 4.8.1a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking
Paragraaf 4.8.2 Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3 Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9 Genietingstijdstip
Afdeling 4.10 Verliesverrekening
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Afdeling 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 5.2 Vrijstellingen
Afdeling 5.3 Groene beleggingen
Afdeling 5.3A Vrijstelling nettolijfrenten
Afdeling 5.3B Vrijstelling nettopensioen
Afdeling 5.4 Waardering
Afdeling 5.5 Peildatumarbitrage
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.1 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.2 Onderhoudsverplichtingen
Afdeling 6.3 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Afdeling 6.4 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
Afdeling 6.5 Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Afdeling 6.6 Weekenduitgaven voor gehandicapten
Afdeling 6.7 Scholingsuitgaven
Afdeling 6.8 Uitgaven voor monumentenpanden
Afdeling 6.9 Aftrekbare giften
Afdeling 6.10 Tijdstip aftrek
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1 Nederlands inkomen
Afdeling 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 7.5 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8 Heffingskorting
Afdeling 8.1 Aansluiting belasting- en premieheffing
Afdeling 8.2 Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9 Wijze van heffing
Afdeling 9.1 Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 9.2 Bijzondere regels
Hoofdstuk 10 Aanvullende regelingen
Afdeling 10.1 Indexering
Afdeling 10.2 Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3 Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10bis Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Hoofdstuk 10A Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
- Artikel 10a.1
- Artikel 10a.2
- Artikel 10a.3
- Artikel 10a.4
- Artikel 10a.5
- Artikel 10a.6
- Artikel 10a.7
- Artikel 10a.8
- Artikel 10a.9
- Artikel 10a.9a
- Artikel 10a.10
- Artikel 10a.11
- Artikel 10a.12
- Artikel 10a.13
- Artikel 10a.14
- Artikel 10a.15
- Artikel 10a.16
- Artikel 10a.17
- Artikel 10a.18
- Artikel 10a.19
- Artikel 10a.20
- Artikel 10a.21
- Artikel 10a.22
- Artikel 10a.23
- Artikel 10a.24
- Artikel 10a.25
- Artikel 10a.26
- Artikel 10a.27
- Artikel 10a.28
- Artikel 10a.29
- Artikel 10a.30
Hoofdstuk 10b Horizonbepaling
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Artikel 3.111
Actueel
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.