1. Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, komen uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

    1. betaald;

    2. verrekend;

    3. ter beschikking gesteld of

    4. rentedragend geworden.

  2. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing met betrekking tot aftrekbare giften.