Wet inkomstenbelasting 2001 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 25-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Raamwerk
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 3.2 Belastbare winst uit onderneming
Afdeling 3.3 Belastbaar loon
Afdeling 3.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Afdeling 3.5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.5a
Afdeling 3.6 Belastbare inkomsten uit eigen woning
Afdeling 3.6a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9 Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.10 Uitgaven voor kinderopvang
Afdeling 3.11 Waardering niet in geld genoten inkomen
Afdeling 3.12 Tijdstip genieten en aftrek
Afdeling 3.13 Verliesverrekening
Afdeling 3.14 Middeling
Afdeling 3.15 Zekerheid omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2 Gelijkstellingen
Afdeling 4.3 Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4 Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.5 Reguliere voordelen
Afdeling 4.6 Vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7 Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8 Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.1 Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
Paragraaf 4.8.1a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking
Paragraaf 4.8.2 Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3 Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9 Genietingstijdstip
Afdeling 4.10 Verliesverrekening
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1 Nederlands inkomen
Afdeling 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 7.5 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8 Heffingskorting
Hoofdstuk 9 Wijze van heffing
Hoofdstuk 10 Aanvullende regelingen
Hoofdstuk 10bis Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Hoofdstuk 10A Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
Hoofdstuk 10b Horizonbepaling
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Afdeling 5.2

Vrijstellingen

Artikel 5.7

  1. Tot de bezittingen behoren niet:

    1. bossen;

    2. natuurterreinen;

    3. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan.

Artikel 5.8

  1. Tot de bezittingen behoren niet voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.

  2. Als voorwerpen van kunst en wetenschap worden mede aangemerkt voorwerpen van kunst en wetenschap die ter beschikking zijn gesteld aan derden voor culturele en wetenschappelijke doeleinden.

  3. Voorwerpen van kunst en wetenschap die deel uitmaken van een verzameling worden niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging.

Artikel 5.9

Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht bij de belastingplichtige zijn opgekomen voorzover deze zaken door de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, tenzij deze rechten hoofdzakelijk als belegging dienen.

Artikel 5.10

Tot de bezittingen behoren niet:

  1. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits:

    1. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 8.904; dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan € 8.904:

    2. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 8.904;

  2. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval;

  3. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang;

  4. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 672 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 1.344 wordt gesteld;

  5. ten aanzien van de Tijdelijke wet Groningen:

    1. aanspraken op vergoeding van schade door het treffen van maatregelen in natura als bedoeld in artikel 2, derde lid, van die wet;

    2. aanspraken op tegemoetkomingen in natura als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van die wet;

    3. aanspraken op vergoeding als bedoeld in de artikelen 13ia, derde lid, 13ib, derde lid, en 13j, eerste lid, onderdeel b, van die wet voor zover deze aanspraken niet zijn gericht op de uitbetaling van geld aan de eigenaar.

Artikel 5.12

Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en verplichtingen die betrekking hebben op een tijdvak van een jaar of korter en waarvan het achterliggende vermogensbestanddeel eveneens in het bezit is van de belastingplichtige.

← terug naar Wet inkomstenbelasting 2001