1. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b, behoren afkoopsommen die worden gedaan in de vorm van een betaling van een premie voor een lijfrente aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

  2. De termijnen van de lijfrente moeten:

    1. toekomen aan de gewezen echtgenoot;

    2. onmiddellijk na het betalen van de premie ingaan;

    3. uiterlijk bij het overlijden van de gewezen echtgenoot eindigen.

  3. De voor de lijfrente betaalde premie wordt aangemerkt als een premie voor een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a.

  4. Indien de lijfrente niet meer voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, wordt geacht een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, te hebben plaats gevonden.

  5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bedragen die worden overgemaakt naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, waarbij in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, bij overlijden van de gewezen echtgenoot het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen overgaat op een of meer erfgenamen of legatarissen van de gewezen echtgenoot.