-
Reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:
ontvangen;
verrekend;
ter beschikking gesteld;
rentedragend geworden of
vorderbaar en inbaar geworden.
-
Reguliere voordelen als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, worden geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de binnenlandse belastingplicht indien deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.
-
Een fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of, indien de belastingplichtige in de loop van het kalenderjaar is overleden, het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment van overlijden.
Wet inkomstenbelasting 2001 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 25-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Raamwerk
Afdeling 2.1 Belastingplichtigen
Afdeling 2.2 Heffingsgrondslagen
Afdeling 2.3 Verschuldigde inkomstenbelasting
Afdeling 2.4 Toerekeningsregels
Afdeling 2.5 Verzamelinkomen
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 3.2 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.1 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.2 Winst uit een onderneming
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.12a
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.20a
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.29a
- Artikel 3.29b
- Artikel 3.29c
- Artikel 3.29d
- Artikel 3.30
- Artikel 3.30a
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.34a
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.42a
- Artikel 3.42b
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 3.47
- Artikel 3.47a
- Artikel 3.48
- Artikel 3.49
- Artikel 3.50
- Artikel 3.51
- Artikel 3.52
- Artikel 3.52a
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54
- Artikel 3.54aa
- Artikel 3.54a
- Artikel 3.55
- Artikel 3.56
- Artikel 3.57
- Artikel 3.58
- Artikel 3.59
- Artikel 3.60
- Artikel 3.61
- Artikel 3.62
- Artikel 3.63
- Artikel 3.64
- Artikel 3.65
- Artikel 3.66
Paragraaf 3.2.3 Oudedagsreserve
Paragraaf 3.2.4 Ondernemersaftrek
Paragraaf 3.2.5 MKB-winstvrijstelling
Afdeling 3.3 Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1 Belastbaar loon
Afdeling 3.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.2 Resultaat uit een werkzaamheid
Paragraaf 3.4.3 Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Afdeling 3.5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.6 Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Artikel 3.110
- Artikel 3.111
- Artikel 3.112
- Artikel 3.113
- Artikel 3.114
- Artikel 3.115
- Artikel 3.116
- Artikel 3.116a
- Artikel 3.117
- Artikel 3.118
- Artikel 3.118a
- Artikel 3.119
- Artikel 3.119a
- Artikel 3.119aa
- Artikel 3.119b
- Artikel 3.119c
- Artikel 3.119d
- Artikel 3.119e
- Artikel 3.119f
- Artikel 3.119g
- Artikel 3.120
- Artikel 3.120a
- Artikel 3.121
- Artikel 3.122
- Artikel 3.123
Afdeling 3.6a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9 Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.10 Uitgaven voor kinderopvang
Afdeling 3.11 Waardering niet in geld genoten inkomen
Afdeling 3.12 Tijdstip genieten en aftrek
Afdeling 3.13 Verliesverrekening
Afdeling 3.14 Middeling
Afdeling 3.15 Zekerheid omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2 Gelijkstellingen
Afdeling 4.3 Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4 Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.5 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.1 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.2 De omvang van reguliere voordelen
Afdeling 4.6 Vervreemdingsvoordelen
Paragraaf 4.6.1 Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen
Paragraaf 4.6.2 De omvang van vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7 Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8 Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.1 Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
Paragraaf 4.8.1a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking
Paragraaf 4.8.2 Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3 Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9 Genietingstijdstip
Afdeling 4.10 Verliesverrekening
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Afdeling 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 5.2 Vrijstellingen
Afdeling 5.3 Groene beleggingen
Afdeling 5.3A Vrijstelling nettolijfrenten
Afdeling 5.3B Vrijstelling nettopensioen
Afdeling 5.4 Waardering
Afdeling 5.5 Peildatumarbitrage
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.1 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.2 Onderhoudsverplichtingen
Afdeling 6.3 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Afdeling 6.4 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
Afdeling 6.5 Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Afdeling 6.6 Weekenduitgaven voor gehandicapten
Afdeling 6.7 Scholingsuitgaven
Afdeling 6.8 Uitgaven voor monumentenpanden
Afdeling 6.9 Aftrekbare giften
Afdeling 6.10 Tijdstip aftrek
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1 Nederlands inkomen
Afdeling 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 7.5 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8 Heffingskorting
Afdeling 8.1 Aansluiting belasting- en premieheffing
Afdeling 8.2 Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9 Wijze van heffing
Afdeling 9.1 Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 9.2 Bijzondere regels
Hoofdstuk 10 Aanvullende regelingen
Afdeling 10.1 Indexering
Afdeling 10.2 Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3 Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10bis Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Hoofdstuk 10A Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
- Artikel 10a.1
- Artikel 10a.2
- Artikel 10a.3
- Artikel 10a.4
- Artikel 10a.5
- Artikel 10a.6
- Artikel 10a.7
- Artikel 10a.8
- Artikel 10a.9
- Artikel 10a.9a
- Artikel 10a.10
- Artikel 10a.11
- Artikel 10a.12
- Artikel 10a.13
- Artikel 10a.14
- Artikel 10a.15
- Artikel 10a.16
- Artikel 10a.17
- Artikel 10a.18
- Artikel 10a.19
- Artikel 10a.20
- Artikel 10a.21
- Artikel 10a.22
- Artikel 10a.23
- Artikel 10a.24
- Artikel 10a.25
- Artikel 10a.26
- Artikel 10a.27
- Artikel 10a.28
- Artikel 10a.29
- Artikel 10a.30
Hoofdstuk 10b Horizonbepaling
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Afdeling 4.9
Artikel 4.44
De op reguliere voordelen in mindering te brengen aftrekbare kosten worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.
Artikel 4.45
-
In een kalenderjaar worden bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen (vooruitbetaalde rente), niet in aanmerking genomen indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan en voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt.
-
Vooruitbetaalde rente die op grond van het eerste lid niet in aanmerking is genomen wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten betrekking hebben. Hierbij worden gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt.
-
In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt wordt hetgeen ter zake van vooruitbetaalde rente in dat jaar door hem is of wordt geacht te zijn voldaan en de vooruitbetaalde rente die in daaropvolgende jaren wordt geacht te zijn voldaan, geheel in aanmerking genomen.
Artikel 4.46
-
Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding.
-
In geval van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, wordt als tijdstip van genieten aangemerkt het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht.
-
Het voordeel bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel i wordt genoten op het tijdstip waarop de koopoptie is verleend.
-
Het voordeel bedoeld in artikel 4.28, tweede lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de daadwerkelijk genoten termijnen โ opgevat overeenkomstig artikel 4.43 โ de geschatte overdrachtsprijs overschrijden. Het negatieve voordeel bedoeld in artikel 4.28, derde lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de laatste termijn is genoten.
-
Het voordeel bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip van de verhoging van de overdrachtsprijs. Het negatieve vervreemdingsvoordeel bedoeld in artikel 4.29, tweede lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip van de verlaging van de overdrachtsprijs.
-
Het in artikel 4.34 bedoelde negatieve vervreemdingsvoordeel in geval van ontbinding van de vennootschap wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid.
-
De vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, derde lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip dat is vermeld in het verzoek, maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen door de inspecteur.
-
Het voordeel, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, voor rekening en risico van de belastingplichtige wordt voortgezet.