-
Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdelen b en c, artikel 3.125 of artikel 3.126a een in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement (artikel 3.137) bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.
-
Het eerste lid vindt toepassing indien:
het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet;
het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak – beoordeeld vanuit de verzekeringnemer – zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet;
het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen 3.127 en 3.129 in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag;
de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 5.513; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing;
de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990;
het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;
de verzekeraar of de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, bedoelde belastingplichtige niet langer voldoet aan de in artikel 3.126 gestelde voorwaarden;
de lijfrenteverplichting overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand jaar is overgegaan, op een ander pensioenfonds of lichaam dat bevoegd is het levensverzekeringsbedrijf te uitoefenen dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d, ter verwerving van pensioenrechten in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland teneinde een pensioenbreuk als gevolg van deze aanvaarding te voorkomen;
de lijfrenteverplichting, anders dan bedoeld onder h, geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d, of
de aanspraak bij het einde van het kalenderjaar is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel c;
een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.127, eerste of tweede lid, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
-
Een aanspraak op lijfrente die nog niet tot uitkering van termijnen is gekomen omdat de omvang van die termijnen nog moet worden vastgesteld, wordt op de eerste dag direct volgend op de hierna aangeduide uiterste datum geacht te zijn afgekocht indien op die uiterste datum nog geen termijn is uitgekeerd. De uiterste datum bij leven is 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd heeft bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. De uiterste datum bij overlijden is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van het overlijden. De termijnen, bedoeld in de tweede en derde zin, kunnen door de inspecteur worden verlengd wanneer door bijzondere omstandigheden geen termijnen zijn uitgekeerd.
-
Onder overgang van de lijfrenteverplichting wordt mede verstaan herverzekering indien de lijfrente is bedongen bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of artikel 3.131, tweede lid.
-
Het tweede lid, aanhef en onderdeel i, heeft mede betrekking op verplichtingen die betrekking hebben op aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.
-
Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste lid in samenhang met het tweede lid, onderdelen h en j, als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, uitstel van betaling is verleend volgens artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt het eerste lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel k.
-
Met betrekking tot een inkomensvoorziening via een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht worden onder de in het tweede lid genoemde omstandigheden mede begrepen omstandigheden die overeenkomen met de in het tweede lid omschreven omstandigheden.
-
Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 of artikel 3.126a vindt het eerste lid geen toepassing:
indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak langdurig arbeidsongeschikt is en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter zake van deze arbeidsongeschiktheid;
indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak op het moment van afkoop nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en
voor zover het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan € 51.440, dan wel, indien dat hoger is, niet meer dan het gemiddelde van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, vermeerderd met het in dat lid als laatste vermelde bedrag, van het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar.
Hetgeen wordt ontvangen ter zake van een afkoop als bedoeld in de eerste volzin, wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een niet of niet langer kwalificerende lijfrente als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, die is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en waarvan de termijnen niet of niet langer overeenkomstig het derde lid en artikel 3.125 worden uitgekeerd.
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Raamwerk
Afdeling 2.1 Belastingplichtigen
Afdeling 2.2 Heffingsgrondslagen
Afdeling 2.3 Verschuldigde inkomstenbelasting
Afdeling 2.4 Toerekeningsregels
Afdeling 2.5 Verzamelinkomen
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 3.2 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.1 Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.2 Winst uit een onderneming
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.12a
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.20a
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.29a
- Artikel 3.29b
- Artikel 3.29c
- Artikel 3.29d
- Artikel 3.30
- Artikel 3.30a
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.34a
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.42a
- Artikel 3.42b
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 3.47
- Artikel 3.47a
- Artikel 3.48
- Artikel 3.49
- Artikel 3.50
- Artikel 3.51
- Artikel 3.52
- Artikel 3.52a
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54
- Artikel 3.54aa
- Artikel 3.54a
- Artikel 3.55
- Artikel 3.56
- Artikel 3.57
- Artikel 3.58
- Artikel 3.59
- Artikel 3.60
- Artikel 3.61
- Artikel 3.62
- Artikel 3.63
- Artikel 3.64
- Artikel 3.65
- Artikel 3.66
Paragraaf 3.2.3 Oudedagsreserve
Paragraaf 3.2.4 Ondernemersaftrek
Paragraaf 3.2.5 MKB-winstvrijstelling
Afdeling 3.3 Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1 Belastbaar loon
Afdeling 3.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.2 Resultaat uit een werkzaamheid
Paragraaf 3.4.3 Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Afdeling 3.5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.6 Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Artikel 3.110
- Artikel 3.111
- Artikel 3.112
- Artikel 3.113
- Artikel 3.114
- Artikel 3.115
- Artikel 3.116
- Artikel 3.116a
- Artikel 3.117
- Artikel 3.118
- Artikel 3.118a
- Artikel 3.119
- Artikel 3.119a
- Artikel 3.119aa
- Artikel 3.119b
- Artikel 3.119c
- Artikel 3.119d
- Artikel 3.119e
- Artikel 3.119f
- Artikel 3.119g
- Artikel 3.120
- Artikel 3.120a
- Artikel 3.121
- Artikel 3.122
- Artikel 3.123
Afdeling 3.6a Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9 Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.10 Uitgaven voor kinderopvang
Afdeling 3.11 Waardering niet in geld genoten inkomen
Afdeling 3.12 Tijdstip genieten en aftrek
Afdeling 3.13 Verliesverrekening
Afdeling 3.14 Middeling
Afdeling 3.15 Zekerheid omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2 Gelijkstellingen
Afdeling 4.3 Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4 Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.5 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.1 Reguliere voordelen
Paragraaf 4.5.2 De omvang van reguliere voordelen
Afdeling 4.6 Vervreemdingsvoordelen
Paragraaf 4.6.1 Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen
Paragraaf 4.6.2 De omvang van vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7 Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8 Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.1 Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
Paragraaf 4.8.1a Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking
Paragraaf 4.8.2 Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3 Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9 Genietingstijdstip
Afdeling 4.10 Verliesverrekening
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Afdeling 5.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 5.2 Vrijstellingen
Afdeling 5.3 Groene beleggingen
Afdeling 5.3A Vrijstelling nettolijfrenten
Afdeling 5.3B Vrijstelling nettopensioen
Afdeling 5.4 Waardering
Afdeling 5.5 Peildatumarbitrage
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.1 Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.2 Onderhoudsverplichtingen
Afdeling 6.3 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Afdeling 6.4 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
Afdeling 6.5 Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Afdeling 6.6 Weekenduitgaven voor gehandicapten
Afdeling 6.7 Scholingsuitgaven
Afdeling 6.8 Uitgaven voor monumentenpanden
Afdeling 6.9 Aftrekbare giften
Afdeling 6.10 Tijdstip aftrek
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1 Nederlands inkomen
Afdeling 7.2 Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 7.5 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8 Heffingskorting
Afdeling 8.1 Aansluiting belasting- en premieheffing
Afdeling 8.2 Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9 Wijze van heffing
Afdeling 9.1 Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 9.2 Bijzondere regels
Hoofdstuk 10 Aanvullende regelingen
Afdeling 10.1 Indexering
Afdeling 10.2 Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3 Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10bis Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Hoofdstuk 10A Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
- Artikel 10a.1
- Artikel 10a.2
- Artikel 10a.3
- Artikel 10a.4
- Artikel 10a.5
- Artikel 10a.6
- Artikel 10a.7
- Artikel 10a.8
- Artikel 10a.9
- Artikel 10a.9a
- Artikel 10a.10
- Artikel 10a.11
- Artikel 10a.12
- Artikel 10a.13
- Artikel 10a.14
- Artikel 10a.15
- Artikel 10a.16
- Artikel 10a.17
- Artikel 10a.18
- Artikel 10a.19
- Artikel 10a.20
- Artikel 10a.21
- Artikel 10a.22
- Artikel 10a.23
- Artikel 10a.24
- Artikel 10a.25
- Artikel 10a.26
- Artikel 10a.27
- Artikel 10a.28
- Artikel 10a.29
- Artikel 10a.30
Hoofdstuk 10b Horizonbepaling
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Artikel 3.133
Actueel
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.