Algemene plaatselijke verordening Schagen 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Afdeling Strand
Afdeling Overige vormen van openluchtrecreatie
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Strafbepaling-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

  3. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  4. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4

Afwijking termijn (vervallen, opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens (vervallen, opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:6

Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Ieder, die op of aan de weg reclamebiljetten, promotiemateriaal of andere geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, voorzover zij in de omgeving op de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats worden achtergelaten, terstond te verwijderen.

  6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:8

Dienstverlening

Het is verboden op door het college aangewezen wegen zich op of aan de weg op te houden met het kennelijke doel anderen te bewegen een abonnement te nemen op een krant, blad of andere publicatie, een steunverklaring te geven, om lid of donateur te worden van een organisatie of om deel te nemen aan een onderzoek of enquête.

Artikel 2:9

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op, aan of boven of ander gebruik van de openbare plaats

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  3. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van voorwerpen en gebieden nadere eisen stellen in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de woon- en leefomgeving;

    3. de publieke functie van de openbare plaats of een gedeelte daarvan, zoals omschreven in het eerste lid.

  4. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    5. door het college te stellen nadere regels voor voorwerpen en gebieden;

    6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, Provinciale verordening of waterschapsverordening.

  5. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  6. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11

Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, Provinciale omgevingsverordening, of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, Provinciale omgevingsverordening, of waterschapsverordening.

Artikel 2:13

Verontreiniging van de weg

  1. Het is verboden de weg te verontreinigen of te laten verontreinigen op zodanige wijze dat daardoor gevaar of hinder kan ontstaan voor weggebruikers of voor derden.

  2. Degene die de verontreiniging heeft veroorzaakt of daarvoor verantwoordelijk is, is verplicht deze onverwijld te verwijderen en de weg schoon achter te laten.

  3. Onder verontreiniging wordt in ieder geval verstaan het achterlaten van modder, aarde of andere stoffen door landbouwverkeer of werkzaamheden op of langs de weg.

  4. Indien degene die verantwoordelijk is voor de verontreiniging niet voldoet aan de verplichting in lid 2, kan de gemeente de noodzakelijke schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren en de daarvoor gemaakte kosten op diegene verhalen.

  5. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19

Gevaarlijk voorwerp

  1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te dragen.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat ze niet voor direct gebruik kunnen worden aangewend als (steek)wapen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III, en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;

    7. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een straatfeest of buurtbarbecue;

    6. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:

    1. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

    2. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;

    3. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 dB C op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;

    4. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten;

    5. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 vierkante meter per object.

  4. De burgemeester classificeert aanvragen om een evenementenvergunning aan de hand van een risicoscan volgens de Landelijke Handreiking Evenementenveiligheid in:

    1. een regulier evenement (klasse A)

    2. een aandachts-evenement (klasse B)

    3. een risico-evenement (klasse C)

  5. Onder een “regulier evenement” wordt verstaan: een evenement waarbij het onwaarschijnlijk is dat het evenement leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.

  6. Onder “aandachts-evenement” wordt verstaan: een evenement dat mogelijk leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en dat maatregelen of voorzieningen vergt van het daartoe bevoegd gezag om die risico’s weg te nemen of te beperken.

  7. Onder “risico-evenement” wordt verstaan: een evenement dat waarschijnlijk leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en dat maatregelen of voorzieningen vergt van het daartoe bevoegd gezag om die risico’s weg te nemen of te beperken.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd, voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen’.

  3. Een aanvraag om een vergunning (regulier evenement) wordt ingediend in de periode van zes maanden tot acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft.

  4. Een aanvraag om een vergunning voor een B (aandacht)- of C (risico)-evenement wordt ingediend in de periode van zes maanden tot veertien respectievelijk achttien weken vóór het evenement.

  5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  6. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  7. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. Het zesde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder g, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  10. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een evenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning dat evenement niet tijdig bij de burgemeester heeft aangemeld voor plaatsing op de regionale evenementenkalender van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.

  11. Onder “tijdige aanmelding” als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan: een aanmelding via het daartoe door de gemeente beschikbaar gestelde formulier, waarbij de aanmelding wordt gedaan in de periode van 1 september tot 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het evenement wordt gehouden.

  12. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 tweede lid kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren als de volledige aanvraag daarvoor minder dan vijf weken voor de datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Als de vergunningaanvraag een evenement betreft dat volgens de risicoscan gekwalificeerd is als "aandacht" of "risico" geldt een termijn van twaalf weken.

  13. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

  1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.

  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.

Artikel 2:27

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. alcoholhoudende drank: dat wat daaronder verstaan wordt in de Alcoholwet;

    2. droge horeca: een openbare inrichting waar geen sprake is van het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholische dranken voor gebruik ter plaatse;

    3. natte horeca: een openbare inrichting waar het horecabedrijf wordt uitgeoefend als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet.

    4. openbare inrichting:

      1. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, strandpaviljoen of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt;

      2. een afhaal- en/of bezorgzaak, waaronder wordt verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of anders dan om niet uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekke bereide en voor directe consumptie geschikte etenswaren en/of dranken plegen te worden verstrekt;

      3. een terras buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt;

    5. para commerciële horeca: een openbare inrichting die wordt geëxploiteerd door een para commerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    6. strandpaviljoen: een openbare inrichting die zich geheel of gedeeltelijk bevindt op het strand;

    7. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

    8. terras aan de openbare weg: een terras dat direct grenst aan de openbare weg en/of rechtstreeks vanaf de openbare weg toegankelijk is.

  2. In deze afdeling wordt niet onder bezoekers verstaan:

    1. de gezinsleden van de exploitant van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn ontbreekt, in de zijlaan tot en met de derde graad;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid van het Wetboek van Strafrecht(hotelgasten en hun medereizigers);

    3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of gelegen zal zijn;

    2. de aard en omvang van het horecabedrijf;

    3. het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse;

    4. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en diens levensgedrag.

  5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum;

    4. bedrijfskantine of -restaurant; of

    5. paracommerciële inrichtingen.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28A

Nadere regels openbare inrichtingen

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten:

    1. voor zowel ‘natte als droge horeca’: op maandag tot en met vrijdag tussen 02:00 uur en 06:00 uur, en op zaterdag en zondag en tijdens jaarwisseling en koningsnacht tussen 04:00 uur en 06:00 uur.

    2. Voor zover het inrichtingen betreft uit de categorie ‘strandpaviljoens’: tussen 02:00 uur en 06:00 uur.

    3. voor zover het inrichtingen betreft uit de categorie ‘paracommerciële horeca’: tussen 00:00 uur en 06:00 uur en tijdens de jaarwisseling en koningsnacht tussen 01:00 uur en 06:00 uur.

    4. voor zover het een afhaal en/of bezorgzaak betreft de tijden van de Winkeltijdenwet;

    5. voor zover het terrassen betreft die zijn gelegen op (of direct grenzend) aan de openbare weg of die behoren bij strandpaviljoens:

      op zaterdag en zondag en tijdens de jaarwisseling en koningsnacht: tussen 02:00 uur en 06:00 uur;

      op maandag tot en met vrijdag: tussen 00:00 uur en 06:00 uur.

    6. Voor zover het overige terrassen betreft: tussen 00:00 uur en 06:00 uur.

  2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  7. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid nadere regels stellen met betrekking tot door horecaondernemers te treffen maatregelen.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a

Definities

  1. De definities van artikel 1 van de Alcoholwet zijn op deze afdeling van toepassing.

  2. Onder wijk- en buurtcentra wordt verstaan: een openbaar gebouw dat als centrum dient voor het sociaal maatschappelijke en culturele leven van een buurt met plaats voor vergaderingen en voorzieningen voor activiteiten van recreatieve en educatieve aard.

Artikel 2:34b

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  1. Het verstrekken van alcoholhoudende drank door paracommerciële rechtspersonen is uitsluitend toegestaan binnen de periode die ligt tussen één uur voor aanvang en twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, met dien verstande dat het tijdstip waarop alcoholhoudende drank mag worden verstrekt niet vroeger mag zijn dan 12:00 uur en niet later mag zijn dan 00:00 uur.

  2. De burgemeester kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Artikel 2:34c

Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

  1. Paracommerciële rechtspersonen mogen geen alcoholhoudende drank verstrekken:

    1. tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en

    2. tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Het bepaalde in het eerste lid blijft voor bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid onder a buiten toepassing als de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon is gelegen binnen een bebouwde kom waar het horecabedrijf uitsluitend door paracommerciële rechtspersonen wordt uitgeoefend en minimaal één van de personen waar de bijeenkomst betrekking op heeft woonachtig is binnen die bebouwde kom.

  3. Het bepaalde in het eerste lid blijft voor bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid onder b buiten toepassing:

    1. als de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon is gelegen binnen een bebouwde kom waar het horecabedrijf uitsluitend door paracommerciële rechtspersonen wordt uitgeoefend;

    2. als de bijeenkomst is gericht op personen die rechtstreeks betrokken zijn bij stichtingen of verenigingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.

  4. Het bepaalde in het eerste lid blijft voorts buiten toepassing als aannemelijk wordt gemaakt dat het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens de bijeenkomst niet leidt tot oneerlijke mededinging met horeca-ondernemers, niet zijnde paracommerciële rechtspersonen, die gevestigd zijn binnen de bebouwde kom waar de bijeenkomst wordt gehouden.

  5. Van een bijeenkomst als bedoeld in het vierde lid moet minimaal 4 weken vooraf melding worden gemaakt aan de burgemeester. Bij de melding moet gemotiveerd worden aangegeven waarom het verstrekken van alcoholhoudende drank niet leidt tot oneerlijke mededinging als bedoeld in het vierde lid. Als de burgemeester tot het oordeel komt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het verstrekken van alcoholhoudende drank niet zal leiden tot oneerlijke mededinging als bedoeld in het vierde lid, kan hij het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens die bijeenkomst verbieden.

Artikel 2:34d

Schenktijden alcoholhoudende drank en verbod verstrekken van sterke drank

  1. Het is verboden buiten de tijden zoals opgenomen in artikel 2 alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, niet zijnde een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, welke:

    1. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of

    2. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties.

  2. In de in het eerste lid bedoelde inrichtingen is het verboden sterke drank te verstrekken.

  3. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden sterke drank te verstrekken;

  4. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een lokaliteit gedurende de tijd dat die lokaliteit wordt gebruikt voor activiteiten die geheel of in belangrijke mate zijn gericht op personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.

  5. Het is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een snackbar of cafetaria.

  6. De burgemeester kan van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid ontheffing verlenen.

Artikel 2:34e

Tijdelijke verbod tot het verstrekken van alcoholhoudende drank

  1. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de hele gemeente, in een door de burgemeester aangewezen deel van de gemeente of in een door de burgemeester aangewezen pand of lokaliteit alcoholhoudende drank te verstrekken.

  2. Een aanwijzing als bedoeld in lid 1 kan worden gegeven in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid.

  3. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:34f

Verbod prijsacties horeca

Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit of op het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:34g

Bijzondere bepalingen ten aanzien van ontheffingen

  1. De burgemeester kan aan een door hem op grond van deze verordening verleende ontheffing voorschriften verbinden in het belang van het reguleren van het gebruik van alcoholhoudende drank.

  2. De burgemeester kan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid intrekken indien:

    1. Niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften;

    2. Zich feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde.

Artikel 2:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37

Nachtregister

De houder van een inrichting waarin seizoenarbeiders gehuisvest worden, is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden. Het register is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de speelautomatenhallenverordening.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden gebruik van drank

  1. Het is verboden op een openbare plaats of op openbaar water alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of op een andere manier overlast veroorzaakt.

  2. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of op openbaar water alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke.

  3. Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet:

    1. op een terras als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid sub d. III, g en h;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  4. De burgemeester kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het in het tweede lid bedoelde verbod niet geldt.

  5. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 45 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. zich in een portiek of poort op te houden; ge

    2. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (vervallen)

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2:54

Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats (Vervallen)

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    4. van 1 april tot 1 oktober tussen 09:00 uur en 19:00 uur op het strand of de toegangspaden als bedoeld in artikel 2:79a, anders dan vastgezet of vastgehouden aan een lijn met een lengte van maximaal 1,50 meter; of

    5. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b en d, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

    4. te voeren.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:64

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden:

    1. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;

    2. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:64a

Stuifvrij houden van gronden

De gebruikers of, bij gebreke van dezen, de eigenaren van gronden zijn verplicht te zorgen dat deze gronden zodanig stuifvrij worden gehouden, dat geen hinder, overlast of schade door verstuiving kan worden veroorzaakt.

Artikel 2:64b

Beregeningsinstallaties

  1. Het is verboden om binnen de bebouwde kom, op minder dan 100 meter gemeten vanaf een gevel van een woning van derden of andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidshinder, een landbouw of motorvoertuig of pomp in bedrijf te hebben voor het aandrijven van een beregeningsinstallatie voor de beregening van landbouwgewassen.

  2. Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing als er ter plaatse aan het bevoegd gezag kan worden aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van een geluidsarm of geluidsgedempt landbouw- of motorvoertuig of pomp.

  3. Het is de eigenaar en/of gebruiker van een perceel grond verboden daarop een beregeningsinstallatie in werking te hebben op een zodanige wijze dat door het beregeningswater overlast of hinder ontstaat voor eigenaren of gebruikers van omliggende percelen en wegen.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)

Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven (vervallen, verplaatst naar artikel 2:32)

Artikel 2:71

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73A

Carbid, acetyleengas afkomstig van carbid, waterstof en gasmengsels of stoffen met vergelijkbare eigenschappen

  1. Het is verboden:

    1. Acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbide, chemische formule CaC2) en water of

    2. Waterstof (H2) afkomstig van een reactie tussen natronloog (natriumhydroxide, chemische formule NaOH) en water of

    3. Gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen of

    4. Al dan niet vernevelde vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden of te bewerken op zodanige wijze dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.

  2. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben.

  3. Het is verboden carbid af te leveren en ter levering voorhanden te hebben wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in lid 1.

  4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 geldt niet voor degenen die aannemelijk maakt, dat het carbid niet gebezigd wordt of bestemd is voor handelingen die ingevolge het bepaalde in lid 1 verboden zijn.

  5. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of een voor publiek toegankelijke plaats achter te laten of voorhanden te hebben op een zodanige wijze dat derden onbedoeld met die stof in contact kunnen komen.

  6. Het verbod als bedoeld in lid 1 onder b, c en d is niet van toepassing op het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.

  7. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de volgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven:

2:1 samenscholing en ongeregeldheden

2:6 verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

2:10 het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

2:11 (omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.

2:19 gevaarlijk voorwerp

2:42 plakken en kladden

2:47 hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

2:48 verboden drankgebruik

2:49 verboden gedragingen bij of in gebouwen

2:50 hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

2:73 gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

5:33 beperking verkeer in natuurgebieden

5:34 verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

  5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

Artikel 2:78a

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:79

Sluiting voor publiek toegankelijk gebouw en/of erven

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar:

    1. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

    2. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of

    3. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of

    4. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

  2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf;

  3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

  4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven.

  5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven;

  6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  7. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:79a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Badseizoen: de periode van 1 april tot 1 oktober daaraanvolgend van enig jaar;

  2. Badstrand: (vervallen);

  3. Kamperen: (vervallen);

  4. Reddingmaatschappij: de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM);

  5. Reddingsbrigades : de onder de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen (KNBRD) vallende reddingsbrigades;

  6. Snelle motorboot: een klein schip dat bij gebruik van zijn mechanische middelen tot voortbeweging sneller kan varen dan 20 km/uur;

  7. Strand: het zeestrand met haar aangrenzende helling of beloop van de duinen aan de zeezijde, evenals de droogliggende banken;

  8. Strandvonder: de strandvonder en hulpstrandvonders als bedoeld in de Wet op de strandvonderij;

  9. Toegangspaden: de afritten van wegen en paden welke vanaf de openbare weg toegang geven tot het strand;

  10. Vaartuigen: vaartuigen met motor, waaronder in ieder geval ook begrepen een motorboot, een waterscooter, een jetski en vaartuigen zonder motor met geringe afmetingen en lichte constructie, waaronder in ieder geval begrepen een kano, zeilboot, (kite)surfplank, een rubberboot;

  11. Vaste vistuigen: vaste tuigen of instrumenten om vis mee te vangen, waaronder in ieder geval begrepen visnetten, fuiken, warnetten, staande netten;

  12. Waterrecreatie: het tegen betaling verrichten van handelingen in of op het water ten behoeve van vermaak van personen;

  13. Waterscooter: een snelle motorboot, gebouwd of ingericht om door één of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen;

  14. Watersport: het verrichten van handelingen door personen in of op het water ter bevordering van vaardigheden en/of kracht.

Artikel 2:79b

Vaartuigen

  1. Het is verboden:

    1. een vaartuig vanaf de weg of vanuit zee op het strand te brengen, op het strand te hebben of vanaf het strand in zee te brengen;

    2. met een vaartuig in de door boeien gemarkeerde gebieden tussen de strandhoofden te varen.

  2. De in het eerste lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op:

    1. vaartuigen in gebruik bij politie, kustbeheerder, reddingmaatschappij en reddingsbrigades;

    2. door het college nader aan te wijzen weg- en/of strandgedeelten;

    3. surfplanken buiten de maanden mei tot en met september.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde verbod.

  4. Het college kan strandgedeelten aanwijzen als activiteitenstrand ten behoeve van al dan niet nader omschreven vormen van watersport en/of waterrecreatie.

Artikel 2:80

Voertuigen

  1. Het is zonder ontheffing van het college verboden met voertuigen, sulky’s, alsmede zeilwagens, vliegerbuggy’s, windrijders en andere dergelijke zeilvoertuigen op het strand te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben.

  2. Het in eerste lid gestelde verbod geldt niet voor fietsen, zeilwagens, windrijders, vliegerbuggy’s, sulky’s en andere dergelijke voertuigen:

    1. buiten het badseizoen;

    2. gedurende het badseizoen vóór 09.00 uur en na 19.00 uur;

  3. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet voor voertuigen ten behoeve van het uitvoeren van taken door de kustbeheerder, de reddingmaatschappij, de reddingsbrigades, de strandvonder, de brandweer, de politie en ambtenaren van de gemeente Schagen;

  4. Het college kan strandgedeelten aanwijzen waar het verbod in het eerste lid niet geldt voor nader te definiëren voertuigen en onder nader te stellen voorwaarden.

Artikel 2:83

Rijdieren

  1. Het is verboden gedurende het badseizoen van 09.00 uur tot 19.00 uur op het strand of de toegangspaden een paard of een ander rijdier te berijden of mee te voeren.

  2. De eigenaar of houder van het rijdier is verplicht ervoor te zorgen dat het rijdier zich niet van uitwerpselen ontdoet op het strand of de toegangspaden en eventuele uitwerpselen te verwijderen.

  3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het tweede lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  4. Het gestelde in het eerste en tweede lid geldt niet voor ambtenaren van de politie bij uitoefening van hun taak.

Artikel 2:86

Afvalresten

Het is verboden op of aan het strand of de toegangspaden:

  1. Spijsresten, papier, afval of andere voorwerpen of stoffen weg te stoppen, te begraven of te laten liggen;

  2. voertuigen of andere voorwerpen te reinigen of te doen reinigen.

Artikel 2:88

Ongeklede recreatie

De volgende gedeelten van het strand zijn aangewezen als plaatsen die geschikt zijn voor ongeklede openbare recreatie als bedoeld in artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht:

  1. het gedeelte tussen strandpaal 8.400 en strandpaal 9.400;

  2. het gedeelte tussen strandpaal 14.500 en strandpaal 16.800.

Artikel 2:90

Drijfmiddelen

  1. Het is verboden zich, al of niet voortgetrokken door een vaartuig, met een luchtbed of luchtkussen, een opblaasbare band of ander voorwerp, dat als drijfmiddel kan worden gebruikt, in zee te begeven of te bevinden.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het als zodanig gebruiken of aan boord van een voertuig hebben van reddingsmiddelen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:91

Baden

  1. Degenen die zich vanaf het strand in zee begeeft dan wel zich in zee bevindt, is verplicht de aanwijzingen van de dienstdoende ambtenaren van politie, badmeesters en/of leden van de reddingsbrigade op te volgen.

  2. Het is verboden zich in zee te begeven of te bevinden op plaatsen en/of tijden waar dit verbod door middel van een of meer borden en/of vlaggen is aangeduid.

Artikel 2:92

Goederen, diensten e.d.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5:14 en 5:15 van deze verordening is het verboden zonder vergunning van het college op of aan het strand of de toegangspaden:

  1. goederen, hoe dan ook genaamd, te verkopen, te verhuren of ten verkoop of verhuur in voorraad te hebben;

  2. tegen betaling of andere vergoeding, in welke vorm dan ook, zich aan te bevelen of beschikbaar te stellen voor het verrichten van enigerlei diensten of prestatie;

  3. een inrichting te hebben, bestemd tot of gebruikt voor het nemen van zee-, zonne- of luchtbaden;

  4. redevoeringen, toespraken of een openbare vertoning te houden;

  5. enig strandgedeelte of toegangspad geheel of gedeeltelijk af te sluiten.

Artikel 2:95a

Vliegeren

  1. Het is verboden op het strand of de toegangspaden vliegers op te laten of daarboven (in de lucht) aanwezig te hebben die bestuurbaar zijn door twee of meer stuurlijnen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op de door het college hiervoor aangewezen strandgedeelten.

Artikel 2:95b

Vaste vistuigen

  1. Het is, onverminderd het bepaalde in en krachtens de Visserijwet 1963, verboden vanaf het strand te vissen met vaste vistuigen indien het gebruik van die vaste vistuigen kan leiden tot gevaar voor zwemmers en andere gebruikers van het strand.

  2. Het gebruik van vaste vistuigen vanaf het strand wordt in ieder geval geacht te kunnen leiden tot gevaar als bedoeld in het eerste lid indien dat vistuig niet is voorzien van drijvers die de gehele lengte van het vistuig markeren en die duidelijk zichtbaar zijn voor zwemmers en andere gebruikers van het strandgedeelte waar het vistuig is geplaatst.

  3. Het college kan in het belang van de openbare orde en veiligheid nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van vaste vistuigen.

Artikel 2:96

Recreatiegebied Schagerwiel

  1. In dit artikel wordt onder Schagerwiel verstaan: het openbaar toegankelijke water dat als “Schagerwiel” is aangeduid op de bij deze verordening behorende bijlage “Kaart Schagerwiel”.

  2. Het is verboden zich op of in de Schagerwiel te begeven en zich op het aan dit water gelegen strand, alsmede de boulevard te bevinden, dagelijks, gedurende het tijdvak gelegen tussen 22.00 uur en 08.00 uur.

  3. Het is verboden met voertuigen op het strand en/of de boulevard als bedoeld in het eerste lid te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben.

  4. Het is verboden om:

    1. een gemotoriseerd vaartuig vanaf de weg of vanaf de Schagerwiel op het strand en/of de boulevard aldaar te brengen, op het strand en/of de boulevard te hebben of vanaf de weg of vanaf het strand op de Schagerwiel te brengen;

    2. met een gemotoriseerd vaartuig op de Schagerwiel te varen.

  5. Het is verboden op de Schagerwiel te (wind)surfen.

  6. Het is verboden om in de Schagerwiel te duiken.

  7. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Schagen 2026