1. Het is verboden de weg te verontreinigen of te laten verontreinigen op zodanige wijze dat daardoor gevaar of hinder kan ontstaan voor weggebruikers of voor derden.

  2. Degene die de verontreiniging heeft veroorzaakt of daarvoor verantwoordelijk is, is verplicht deze onverwijld te verwijderen en de weg schoon achter te laten.

  3. Onder verontreiniging wordt in ieder geval verstaan het achterlaten van modder, aarde of andere stoffen door landbouwverkeer of werkzaamheden op of langs de weg.

  4. Indien degene die verantwoordelijk is voor de verontreiniging niet voldoet aan de verplichting in lid 2, kan de gemeente de noodzakelijke schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren en de daarvoor gemaakte kosten op diegene verhalen.

  5. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.