Algemene plaatselijke verordening Nieuwkoop 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
AFDELING VOOKOMEN OF BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN
Afdeling
Afdeling
Afdeling
AFDELING BRUIKBAARHEID , UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
Afdeling
AFDELING EVENEMENTEN
AFDELING TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
AFDELING WOON- EN LEEFKLIMAAT
AFDELING REGULERING PARACOMMERCIËLE RECHTSPERSONENEN OVERIGE AANGELEGENHEDEN UIT DE ALCOHOLWET
AFDELING Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
AFDELING TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
AFDELING MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE
AFDELING BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
AFDELING CONSUMENTENVUURWERK
AFDELING DRUGSOVERLAST
AFDELING BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE BURGEMEESTER
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
AFDELING PARKEEREXCESSEN
AFDELING COLLECTEREN
AFDELING VENTEN
AFDELING STANDPLAATSEN
AFDELING SNUFFELMARKTEN
AFDELING OPENBAAR WATER
AFDELING CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN
AFDELING VUURVERBOD
AFDELING ASVERSTROOIING
AFDELING OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN
HOOFDSTUK SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig op de weg of openbare parkeergelegenheid te plaatsen of te hebben met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruik langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg of openbare parkeergelegenheid te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8

Grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter en/of een hoogte van meer dan 2,6 meter te parkeren binnen de bebouwde kom van de gemeente op de weg of op een openbare parkeergelegenheid.

  2. Het verbod geldt niet voor het parkeren:

    1. op de daartoe door het college aangewezen wegen en/of openbare parkeergelegenheden;

    2. op werkdagen van 7:00 tot 18:00 gedurende ten hoogste één uur.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op campers, en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg geplaatst of gehouden.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,6 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

  1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  2. Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:10a

Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan

1. Het is verboden een voertuig te parkeren of laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  1. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5:11

aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

(Vervallen in 2009)

Artikel 512

Overlast van fiets of bromfiets

(Vervallen in 2009)

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die wordt gehouden:

    1. in besloten kring; of

    2. door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster , mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte en wervingsvoorstel en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

    3. door een andere, door het college aangewezen instelling.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:14

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.

  3. Het verbod als bedoeld in het tweede lid geldt niet voor het venten met voor consumptie geschikte etenswaren, voor zover dat niet aan de deur gebeurt, op zondagen tussen 09.00 uur en 21.00 uur.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5:17

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare of in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Incidentele standplaats: een standplaats als bedoeld onder a met dien verstande dat de standplaats ingenomen wordt voor een uitsluitende periode van maximaal vier weken per kalenderjaar.

  3. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en nadere regels

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Een vergunning wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier dat daartoe door het college is verstrekt.

  3. Het college kan ter bescherming van een belang bedoeld in artikel1:8 en 5:19a:

    1. gebieden en dagen aanwijzen waar geen vergunning wordt verleend voor vaste standplaatsen;

    2. gebieden aanwijzen waar een maximum aantal vergunningen wordt verleend voor vaste standplaatsen;

    3. gebieden aanwijzen waar vergunning voor vaste standplaatsen slechts wordt verleend voor door het college vastgestelde producten of diensten;

  4. Het college kan regels geven ten aanzien van bij de aanvraag te verstrekken gegevens of bescheiden, de volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen, de wijze waarop een standplaats wordt ingenomen en de omstandigheid waaronder een vergunning kan worden overgedragen.

  5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met he omgevingsplan.

Artikel 5:19

Weigeringsgronden

  1. Het college weigert de vergunning voor het innemen van een vaste standplaats in ieder geval indien de aanvraag betrekking heeft:

    1. op het innemen van een standplaats in een gebied of op een dagals bedoeld in artikel 5:18 derde lid onder a;

    2. indien het maximum aantal te verlenen vergunningen in een gebied is bereikt;

    3. op een ander product of dienst dan op grond van artikel 5:18 derde lid onder c is vastgesteld;

  2. Het college weigert de vergunning voor het innemen van een incidentele standplaats in ieder geval indien de aanvraag betrekking heeft:

    1. op een langere periode dan vier weken;

    2. op een plaats waarvoor binnen hetzelfde kalenderjaar al vergunning voor een incidentele standplaats is verleend.

  3. Het college kan afwijken van het eerste lid indien het innemen van de vaste standplaats bijdraagt aan de sociale leefbaarheid van de gemeentekernen of bijzondere omstandigheden het verlenen van een vergunning rechtvaardigen.

  4. Het college kan afwijken van het tweede lid indien het innemen van de incidentele standplaats naar het oordeel van het college gedurende een maximale periode van acht weken gerechtvaardigd is vanwege de aard van het product.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19a

Overige weigeringsgronden

  1. Onverminderd artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt dan wel de sociale leefbaarheid of de kwaliteit van het leefmilieu van de gemeentekernen in het geding komt;

    3. indien het innemen van de standplaats overlast veroorzaakt voor gebruikers of zakelijk gerechtigden van in de nabijheid gelegen onroerende zaken;

    4. indien het intensief gebruik van de weg of de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse het innemen van een standplaats niet toelaat;

    5. in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid;

    6. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

Artikel 5:20

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:21

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:18 eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedaktiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:19a, eerste lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:24

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

(Gereserveerd)

Artikel 5:25

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

(Gereserveerd)

Artikel 5:32

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1ᵒ of 3ᵒ, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

  6. Op de ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Verboden plaatsen

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    1. verharde delen van de weg;

    2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

    3. openbare wateren;

    4. sportterreinen;

    5. recreatieterreinen.

  2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder C.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:37

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 5:39

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

(Vervallen in 2021)

Artikel 5:40

Verontreiniging bij werkzaamheden op het water

  1. Het is verboden, zonder vergunning van het college, binnen de afstand van 25 meter van bewoonde gebouwen, vaartuigen met vuilnis of andere stankverwekkende stoffen te laden, te verwerken, af te meren of te lossen. Dit verbod is niet van toepassing voor personeel van de van gemeentewege aangewezen reinigingsdienst in de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden en voor de eigenaren, beheerders of andere rechthebbenden van landbouw-, veeteelt- of tuinbouwbedrijven en het bij deze in dienstzijnde personeel, bij de uitoefening van werkzaamheden ten behoeve van en op het terrein van die bedrijven.

  2. De inhoud van de in het eerste lid bedoelde vaartuigen moet, behalve wanneer het laden en lossen dit niet toelaten, steeds door luiken gedekt gehouden worden.

  3. Het is verboden vuilnis of andere stankverwekkende stoffen in bebouwde kommen over te scheppen.

  4. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:41

Beschadiging van waterstaatswerken en oevers

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:42

Varen over visnette

Het is verboden over te water staande visnetten te varen met vaartuigen, van welke enig deel onder het vlak van het vaartuig uitsteekt.

Artikel 5:45

Verbod beschadigen riet

  1. Het is verboden op enigerlei wijze schade toe te brengen aan een rietkraag.

  2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op het verrichten van het noodzakelijk onderhoud aan watergangen ter uitvoering van een wettelijke verplichting.

Artikel 5:47

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik opgeschikt te maken.

Artikel 5:48

Baden en zwemmen

Het is verboden te zwemmen of te baden in de door het college bij een ter openbare kennis te brengen besluit aan te wijzen wateren. Slechts die wateren kunnen worden aangewezen waar, naar het oordeel van het college, het baden of het zwemmen de openbare orde verstoort of de zedelijkheid aantast.

Artikel 5:50

Verbranden riet

  1. Het verbranden van het bij de rietoogst vrijkomend rietsluik is toegestaan gedurende de periode van 1 oktober tot 20 april.

  2. Het college is bevoegd, gehoord de afdeling plaatselijke afdeling van de Vereniging voor de Rietcultuur en Vereniging Natuurmonumenten, de in het eerste lid genoemde periode te wijzigen.

  3. Het verbranden van rietsluik is niet toegestaan op zon- en feestdagen en na zonsondergang.

Artikel 5:51

Gebruik land/water

Het is verboden zonder daartoe gerechtigd te zijn:

  1. zich te bevinden in/op eens anders land;

  2. in eens anders water te komen tot het zoeken, snijden, plukken dan wel op een andere manier verwijderen van vegetaties of het zoek of rapen van eieren.

Artikel 5:52

Afsluitmogelijkheid

In verband met de aantasting van het oorspronkelijk karakter van het plassengebied kunnen gebieden worden aangewezen waarin het verboden is zich met vaartuigen te bevinden. Het hiervoor gestelde gebied geldt niet voor hen die beroepshalve in het betreffende gebied moeten zijn.

Artikel 5:53

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken de Waterwet, de Provinciale Verordening Ruimte, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening Kabels en Leidingen gemeente Nieuwkoop.

Artikel 5:54

Overlast bij bruggen en sluizen

  1. Het is, behalve aan de daartoe bevoegde personen, verboden de opsluiting van afgesloten bruggen te openen, of zich op beweegbare delen van ophaal-, bascule- of draaibruggen te bevinden zolang deze niet zijn gesloten, alsmede zich op sluisdeuren te bevinden of daarvan de rinket- of slakgaten te openen of af te sluiten.

  2. Het is verboden een brug te openen of geopend te hebben gedurende de tijd, dat die brug ingevolge een kenbaar gemaakt besluit van het college gesloten moeten blijven.

Artikel 5:55

Aanleggen van vaartuigen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college, gedurende langer dan 4 achtereenvolgende uren met vaartuigen aan te leggen en deze te laten liggen aan wegen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op vaartuigen niet zijnde pleziervaartuigen, gedurende de tijd, welke deze vaartuigen nodig hebben om ter plaatse te laten of te lossen.

  3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder vaartuigen mede verstaan vaartuigen, welke als zodanig nog niet geheel zijn afgewerkt (casco’s) en vlotten.

Artikel 5:56

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:57

Orde op het openbare water

  1. Hij aan wie bij ordeverstoring of dreigende ordeverstoring op het openbare water door de politie het bevel gegeven wordt zich te verwijderen, is verplicht aan dit bevel onmiddellijk te voldoen en wel langs de weg of in de richting door de politie aangewezen.

  2. De schipper of andere gebruiker van een vaartuig aan wie bij de ordeverstoring of dreigende ordeverstoring op het openbare water door de politie het bevel gegeven wordt zich te verwijderen, is verplicht aan dit bevel te voldoen en wel langs de weg of in de richting door de politie aangewezen.

Artikel 5:59

Gebruik van openbaar water

  1. Het is onverminderd het bepaalde in de artikelen 162 en 163 van het Wetboek van Strafrecht, verboden zonder vergunning van het college:

    1. In openbare wateren palen, afsluitbomen of andere voorwerpen, welke de kennelijke bedoeling hebbende in- en uitvaart te voorkomen dan wel te verhinderen, aan te brengen, te maken of te hebben;

    2. Op, in of boven de walkanten van de onder a. bedoelde wateren, aanduidingen of kennisgevingen aan te brengen, te maken of te hebben, waarbij ter kennis gebracht wordt dat verboden is bedoelde wateren te bevaren.

Artikel 5:60

Gezonken schip of voorwerp

  1. De rechthebbende van een in vaarweg gezonken of aan de grond geraakt vaartuig, waarvan de aanwezigheid de veiligheid van het vaarverkeer in gevaar kan brengen, is verplicht hiervan onmiddellijk kennis te geven aan de gemeente, en bij dat vaartuig of voorwerp de bakens of veiligheidstekens te plaatsen als hem door of namens de gemeente worden voorgeschreven, alsmede te zorgen, dat het vaartuig of voorwerp binnen de door of namens de gemeente gestelde termijn uit dat water wordt verwijderd.

  2. Een werk of enig onderdeel daarvan, dat naar het oordeel van het college in een zodanige toestand is komen te verkeren dat daardoor gevaar of hinder voor de scheepvaart bestaat of kan bestaan, moet op eerste aanzegging van het college door de belanghebbende bij dit werk zo spoedig mogelijk worden hersteld of verwijderd, waarbij moet worden voldaan aan de door of vanwege het college te geven aanwijzingen.

  3. Een werk dat ten gevolge van het vervallen van zijn bestemming niet is voltooid, of waarvan na voltooiing het doel is vervallen, moet op eerste aanzegging van het college door de belanghebbende bij het werk zo spoedig mogelijk worden opgeruimd, rekening houdend met de daarbij door het college te stellen termijnen.

Artikel 5:63

Aanleggen door vaartuigen, gebruik laad- en loswallen

(Vervallen in 2021)

Artikel 5:81

Orde en veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden buiten noodzaak, zich te begeven of te bevinden op:

    1. drijvend ijs;

    2. ijsvlakten, voor zover en zolang deze door enig aangebracht zichtbaar teken als gevaarlijk zijn aangeduid.

  2. Het is verboden voor het publiek toegankelijk ijs te beschadigen, te verontreinigen of daarop verkeer op enigerlei wijze te belemmeren of in gevaar te brengen.

  3. Het is aan anderen dan daartoe bevoegden verboden, bakens, planken, palen of andere voorwerpen, in het belang van de veiligheid geplaatst op voor het publiek toegankelijk ijs, te verplaatsen, te beschadigen of op enigerlei andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  4. Het is zonder vergunning van het college verboden zich op een voor ieder toegankelijke ijsvlakte te bevinden met een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 2, van de Wegenverkeerswet, dan wel met een door windkracht voortgedreven slede of ijszeilplank.

  5. Het in de leden 2 en 3 van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 5:82

IJsbijten, ijsvaren

  1. Het is verboden ter plaatse en gedurende de tijd, door het college aangewezen:

    1. met vaartuigen door mechanische kracht voortbewogen, door het ijs te varen;

    2. het in openbare wateren aanwezige ijs te verwijderen of daarin bijten te hakken.

  2. Hij die een bijt in het ijs maakt, onderscheidenlijk heeft, is verplicht deze op opvallende wijze te omgeven onderscheidenlijk omgeven te hebben door planken, takken of schoten.

  3. Onder bijt, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan een smalle opening in het ijs rondom een vaartuig aangebracht.

  4. De rechthebbende op een inrichting voor afvoer van water is, wanneer het ijs in of nabij een ijsbaan of ijsweg door uitstorting van dit water onbetrouwbaar is, verplicht onverwijld de gevaarlijke plaats aan te duiden door bakens, planken, palen of andere voorwerpen op opvallende wijze langs de rand te plaatsen.

Artikel 5:84

Radiografisch bestuurde vliegtuigen

Het is zonder vergunning van het college verboden een voor een ieder toegankelijke ijsvlakte te gebruiken voor het laten stijgen en landen van radiografisch bestuurde vliegtuigen.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Nieuwkoop 2012