1. Het college weigert de vergunning voor het innemen van een vaste standplaats in ieder geval indien de aanvraag betrekking heeft:

    1. op het innemen van een standplaats in een gebied of op een dagals bedoeld in artikel 5:18 derde lid onder a;

    2. indien het maximum aantal te verlenen vergunningen in een gebied is bereikt;

    3. op een ander product of dienst dan op grond van artikel 5:18 derde lid onder c is vastgesteld;

  2. Het college weigert de vergunning voor het innemen van een incidentele standplaats in ieder geval indien de aanvraag betrekking heeft:

    1. op een langere periode dan vier weken;

    2. op een plaats waarvoor binnen hetzelfde kalenderjaar al vergunning voor een incidentele standplaats is verleend.

  3. Het college kan afwijken van het eerste lid indien het innemen van de vaste standplaats bijdraagt aan de sociale leefbaarheid van de gemeentekernen of bijzondere omstandigheden het verlenen van een vergunning rechtvaardigen.

  4. Het college kan afwijken van het tweede lid indien het innemen van de incidentele standplaats naar het oordeel van het college gedurende een maximale periode van acht weken gerechtvaardigd is vanwege de aard van het product.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.