1. Het is verboden ter plaatse en gedurende de tijd, door het college aangewezen:

    1. met vaartuigen door mechanische kracht voortbewogen, door het ijs te varen;

    2. het in openbare wateren aanwezige ijs te verwijderen of daarin bijten te hakken.

  2. Hij die een bijt in het ijs maakt, onderscheidenlijk heeft, is verplicht deze op opvallende wijze te omgeven onderscheidenlijk omgeven te hebben door planken, takken of schoten.

  3. Onder bijt, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan een smalle opening in het ijs rondom een vaartuig aangebracht.

  4. De rechthebbende op een inrichting voor afvoer van water is, wanneer het ijs in of nabij een ijsbaan of ijsweg door uitstorting van dit water onbetrouwbaar is, verplicht onverwijld de gevaarlijke plaats aan te duiden door bakens, planken, palen of andere voorwerpen op opvallende wijze langs de rand te plaatsen.