1. Het is verboden buiten noodzaak, zich te begeven of te bevinden op:

    1. drijvend ijs;

    2. ijsvlakten, voor zover en zolang deze door enig aangebracht zichtbaar teken als gevaarlijk zijn aangeduid.

  2. Het is verboden voor het publiek toegankelijk ijs te beschadigen, te verontreinigen of daarop verkeer op enigerlei wijze te belemmeren of in gevaar te brengen.

  3. Het is aan anderen dan daartoe bevoegden verboden, bakens, planken, palen of andere voorwerpen, in het belang van de veiligheid geplaatst op voor het publiek toegankelijk ijs, te verplaatsen, te beschadigen of op enigerlei andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  4. Het is zonder vergunning van het college verboden zich op een voor ieder toegankelijke ijsvlakte te bevinden met een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 2, van de Wegenverkeerswet, dan wel met een door windkracht voortgedreven slede of ijszeilplank.

  5. Het in de leden 2 en 3 van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.