Algemene plaatselijke verordening gemeente Kerkrade 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 3A: Voetbal
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5A. Exploitatievergunning en toezicht smart- en headshop
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 6A (vervallen)
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen tegen overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Paragraaf Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Paragraaf Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Paragraaf Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:35

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder

    a. Openbare inrichting verstaan:

    1) Een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, waterpijpcafé, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

    2) Elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

  2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen een vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling uit van die besloten ruimte.

  3. Deze afdeling is tevens van toepassing op een afhaalcentrum, zijnde een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht.

  4. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    * Alcoholhoudende drank,

    * Leidinggevende,

    * Horecabedrijf,

    * Horecalokaliteit,

    * Inrichting

    *Paracommerciële rechtspersoon,

    * Sterke drank,

    * Slijtersbedrijf, en

    * Zwak-alcoholhoudende drank,

    dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:36

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    b. zorginstelling;

    c. museum; of

    d. bedrijfskantine of –restaurant.

  3. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien:

    a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of

    b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of in dit hoofdstuk.

  4. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid onder a.

  5. Met de exploitatie van een openbare inrichting mag alleen worden begonnen nadat de gevraagde vergunning(en) is / zijn verleend. Het bevoegd orgaan kan dienaangaande in bijzondere omstandigheden afwijken.

  6. Aan het exploiteren van een openbare inrichting kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen ook voorwaarden worden verbonden.

  7. Iedere exploitant en leidinggevende(n) in een openbare inrichting dient zich, ten behoeve van de bedrijfsvoering, in te spannen om te voldoen aan hetgeen in het horecabeleid ‘Veilig uitgaan’ Kerkrade is neergelegd.

  8. Het horecabeleid ‘Veilig uitgaan’ Kerkrade is onderdeel van iedere vergunning en wordt met deze vergunning aan de exploitant uitgereikt.

  9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en op de vrijstelling.

Artikel 2:37

Uitzondering vergunningsplicht

Het bevoegd orgaan kan bij openbare kennisgeving:

a. bepalen dat het exploiteren van categorieën openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, is vrijgesteld van de vergunningplicht;

b. nadere regels stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling.

Artikel 2:39

Inrichtingseisen

  1. De openbare inrichting van een alcoholvrij bedrijf dient te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 10 lid 2 van de Alcoholwet.

  2. Het bevoegd orgaan kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

  3. Het bevoegd orgaan beslist binnen 12 weken nadat het verzoek om ontheffing is ingekomen.

  4. Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vrijstelling bedoeld in het tweede lid.

  6. De bij of krachtens dit artikel gestelde eisen gelden in aanvulling op hetgeen is geregeld bij of krachtens de artikelen 2, 3, 5, 6 en 120 van de Woningwet.

Artikel 2:40

Weigeringsgronden openbare inrichting zijnde een alcoholvrij bedrijf

  1. Een vergunning wordt door het bevoegd orgaan geweigerd indien:

    1) De (natuurlijke) exploitant/ondernemer:

    a. die de vergunning heeft gevraagd een openbare inrichting heeft/hebben geëxploiteerd die evenwel op grond van verstoring van de openbare orde binnen een termijn van vijf jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag gesloten is geweest c.q. waarvoor de krachtens deze verordening dan wel de Alcoholwet verleende vergunning op grond van verstoring van de openbare orde door het daartoe bevoegd orgaan is ingetrokken;

    b. door de ondernemer c.q. degenen die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(en) en/of leidinggevende(n) niet wordt voldaan aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet;

    c. bij toepassing van de Wet Bibob, de ondernemer resp. aanvrager van de vergunning weigert de hiervoor gestelde vragen te beantwoorden en/of de gevraagde, noodzakelijke, bescheiden in te dienen;

    d. er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    e. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

    2) De horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 2:39 lid 1, tenzij door het bevoegde bestuursorgaan een ontheffing is verleend.

    3) Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    4) Indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  2. De burgemeester kan de vergunning voorts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de te verwachten parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling of sociale onveiligheid;

    b. de aard van het horecabedrijf;

    c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

    d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en

    e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

    f. (dreigende) aantasting van de openbare orde; waarbij onder aantasting van de openbare orde tevens wordt begrepen aantasting van de rechtsorde. Hieronder wordt tevens verstaan de situatie dat de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen heeft of tot gevolg kan hebben;

    g. het Omgevingsplan;

    h. de situatie waarin er naar zijn oordeel sprake is van een ongewenste concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt.

Artikel 2:41

Voorwaarden en voorschriften

  1. Het bevoegd orgaan kan aan een vergunning voorwaarden en voorschriften verbinden.

    a. Voorwaarden komen voort uit deze verordening en worden ten aanzien van de vergunning van de exploitant expliciet opgenomen;

    b. Voorschriften kunnen door het bevoegd orgaan aan een vergunning worden verbonden en dienen door exploitant en/of leidinggevenden te worden nageleefd.

  2. Gevolgen van voorwaarden en voorschriften:

    a. Het niet nakomen van voorwaarden, voorschriften, nadere regels of de bepalingen in deze verordening kan leiden tot het (tijdelijk) sluiten van de inrichting of intrekken van de vergunning;

    b. Het niet nakomen van voorwaarden, voorschriften, nadere regels of bepalingen in deze verordening leidt tot toepassing van sanctie(s), zoals neergelegd in het Horecasanctiebeleid welk beleid onderdeel uitmaakt van deze verordening.

  3. De in het eerste lid, sub b, bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    a. De openings- en sluitingstijden van de horeca-inrichting;

    b. De verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of buiten de besloten ruimte van de horeca-inrichting;

    c. De wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd;

    d. Het aantal bezoekers dat gelijktijdig in de inrichting aanwezig mag zijn;

    e. De aanwezigheid van de leidinggevende.

  4. Het bevoegd orgaan kan de aan een vergunning verbonden voorschriften wijzigen dan wel nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden.

  5. Het is verboden te handelen in strijd met één of meer van de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Artikel 2:42

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt door het bevoegd orgaan ingetrokken indien:

    a. Ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    b. Door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    c. Zich in de betrokken horeca-inrichting feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;

    d. Sprake is van een situatie welke niet in overeenstemming is met hetgeen is bepaald onder de weigeringsgronden;

    e. Binnen een termijn van 6 maanden na dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;

    f. Op verzoek van de vergunninghouder(s).

  2. Het bevoegd orgaan kan de vergunning intrekken indien:

    a. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden en/of voorschriften;

    b. er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting;

    c. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling;

    d. er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    e. indien er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval dat na verlenen van de vergunning blijkt dat sprake is van toepassing van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:43

Reikwijdte vergunning alcoholvrij bedrijf

  1. Bij overlijden van de vergunninghouder kan de openbare inrichting door of namens een van zijn rechtsopvolgers, die voldoen aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet, worden voortgezet tot een maand na het overlijden of indien binnen die termijn ter zake een nieuwe vergunning is aangevraagd tot het tijdstip waarop op deze aanvraag onherroepelijk is beslist.

  1. De vergunning geldt uitsluitend voor een of meer in de vergunning vermelde ruimten.

Artikel 2:44

Exploitatie terras

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester:

    a. op de openbare weg een terras te plaatsen of te hebben;

    b. of een terras te exploiteren indien zulks vanaf de openbare weg waarneembaar is

    indien en voor zover de in het eerste lid, onder a en b bedoelde terrassen betrekking hebben op of onderdeel vormen van de uitoefening van een horecabedrijf en alcoholvrij bedrijf, behoudens het betreft een verzorgings- c.q. bejaardentehuis.

  2. De in het eerste lid genoemde vergunning kan naast de gronden zoals genoemd in artikel 1:8 worden geweigerd ter:

    a. voorkoming of beperking van overlast;

    b. bescherming van het leefmilieu en het karakter van de omgeving;

    c. bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    d. bescherming van de verkeersveiligheid of –vrijheid;

    e. bescherming van een doelmatig gebruik dan wel een doelmatig onderhoud van de openbare weg.

  3. Aan het exploiteren van een terras kunnen nadere regels en voorwaarden worden gesteld.

  4. Het is verboden dranken en eetwaren voor directe consumptie ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg dat volgens de vergunning als terras mag worden geëxploiteerd.

  5. Op de vergunning bedoeld in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:45

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen waarbinnen de verstrekking van alcoholhoudende dranken tot de reguliere bedrijfsuitoefening kan worden gerekend zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00uur en 06.00 uur, tenzij bij deze verordening, nadere regels of in de vergunning andere openings- en sluitingstijden zijn bepaald.

  2. Openbare inrichtingen waarbinnen de verstrekking van alcoholhoudende dranken niet tot de reguliere bedrijfsuitoefening kan worden gerekend zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 04.00uur en 06.00 uur sluitingstijd, tenzij bij deze verordening, nadere regels of in de vergunning andere openings- en sluitingstijden zijn bepaald.

  3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:36, tweede lid aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:46

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:47

Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende alcoholvrij bedrijf

  1. De vergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

  2. De leidinggevende geeft de vergunning op eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar ter inzage af.

  3. Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende die als zodanig op de exploitatievergunning staat vermeld niet in het bedrijf aanwezig is.

  4. De verleende vergunning geldt niet voor andere gedeelten van de openbare weg dan die, waar dat verstrekken door de burgemeester uitdrukkelijk is toegestaan.

  5. De exploitant doet binnen twee weken na beëindiging van de exploitatie van een bedrijf daarvan mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 2:48

Aanvraag vergunning

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag bij het bevoegd orgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegd orgaan vast te stellen aanvraagformulier.

  2. Gelijktijdig met het indienen van de vergunningaanvraag dienen de volgende bescheiden te worden ingediend:

    a. voor de locatie van de horeca-inrichting, incl. terras, een (voorwaardelijke) huurovereenkomst of eigendomsakte;

    b. de nodige gegevens omtrent leidinggevenden en een recente verklaring omtrent het gedrag niet ouder dan drie maanden op de dag van de vergunningaanvraag;

    c. indien op deze aanvraag van toepassing, een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig de Wet Bibob; en

    d. verdere bescheiden in te dienen die op het aanvraagformulier worden vermeld.

  3. De vergunning:

    a. Is persoonsgebonden en niet overdraagbaar; en

    b. wordt gesteld ten name van de exploitant van de openbare inrichting; en

    c. uitsluitend de op de vergunning vermelde leidinggevende(n) mag/mogen worden belast met het leiding geven in de openbare inrichting.

Artikel 2:49

Beslissing op de aanvraag

  1. Het bevoegd orgaan beslist op de aanvraag voor een vergunning:

    a. binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag volledig ingevuld is ontvangen en voorzien van alle vereiste bescheiden of;

    b. na de dag waarop het verzuim tot het overleggen van de, krachtens het aanvraagformulier, vereiste bescheiden is hersteld en de aanvraag compleet is.

  2. Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen.

  3. Indien bij de aanvraag toepassing wordt gegeven aan een onderzoek overeenkomstig de Wet Bibob:

    a. wordt de beslistermijn bedoeld in lid 1, ten behoeve van het lokaal advies, met ten hoogste met 12 weken verdaagd; en

    b. indien een lokaal advies geen uitsluitsel biedt wordt ten behoeve van een advies van het Landelijk Bureau Bibob de termijn onder lid 3a nog eens met 8 weken verdaagd.

Artikel 2:50

Vervallen van de vergunning

Een vergunning vervalt:

a. Wanneer voor dezelfde openbare inrichting een nieuwe vergunning als hiervoor bedoeld, dan wel een Alcoholwet-vergunning, is afgegeven;

b. Indien de enige vergunninghouder als zodanig niet meer aan het rechtsverkeer deelneemt;

c. Indien er gedurende een periode van 6 maanden geen gebruik is gemaakt van de lopende vergunning doordat er geen bedrijfsmatige activiteiten in de inrichting hebben plaatsgevonden.

Artikel 2:51

Sluiting van de horeca-inrichting

  1. Het bevoegd orgaan kan de sluiting van een inrichting, al dan niet voor een bepaalde tijd, bevelen indien:

    a. De ondernemer(s) in strijd handelt/handelen met wettelijke voorschriften zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet 2000, Wet arbeid vreemdelingen en de Opiumwet;

    b. Gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden of voorschriften;

    c. De exploitatie van een openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat.

  2. Tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen wordt de ondernemer in ieder geval in kennis gesteld van het voornemen de inrichting (tijdelijk) te sluiten en wordt hij in de gelegenheid gesteld dienaangaande te worden gehoord.

  3. Indien de (tijdelijke) sluiting wordt geëffectueerd wordt de sluiting geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of toegangen van de horeca-inrichting is/zijn aangebracht.

  4. Zolang het bevel van sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  5. Zolang het bevel van sluiting van kracht is, is het verboden deze als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.

  6. De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door het bevoegd orgaan worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:52

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in een openbare inrichting:

    a. de openbare orde te verstoren;

    b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:46;

    c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

    d. glazen, benut voor het schenken van dranken, buiten de openbare inrichting te laten brengen.

  2. Het is voor de exploitant van een openbare inrichting verboden om een bijeenkomst te laten plaatsvinden in een openbare inrichting voor een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

Artikel 2:53

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:54

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:36 tot en met 2:46 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:55

Toezicht en handhaving openbare inrichtingen

  1. Met het toezicht op openbare inrichtingen zijn belast:

    a. Ambtenaren van politie in uitvoering van hun taken; en/of

    b. Aangewezen toezichthouders en/of buitengewone opsporingsambtenaren belast met de Algemene plaatselijke verordening of een andere van toepassing zijnde wettelijke bepaling.

Artikel 2:56

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    h. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar voor de indiening van een vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    f. of er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Kerkrade 2026