1. Een vergunning wordt door het bevoegd orgaan geweigerd indien:

    1) De (natuurlijke) exploitant/ondernemer:

    a. die de vergunning heeft gevraagd een openbare inrichting heeft/hebben geëxploiteerd die evenwel op grond van verstoring van de openbare orde binnen een termijn van vijf jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag gesloten is geweest c.q. waarvoor de krachtens deze verordening dan wel de Alcoholwet verleende vergunning op grond van verstoring van de openbare orde door het daartoe bevoegd orgaan is ingetrokken;

    b. door de ondernemer c.q. degenen die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(en) en/of leidinggevende(n) niet wordt voldaan aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet;

    c. bij toepassing van de Wet Bibob, de ondernemer resp. aanvrager van de vergunning weigert de hiervoor gestelde vragen te beantwoorden en/of de gevraagde, noodzakelijke, bescheiden in te dienen;

    d. er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    e. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

    2) De horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 2:39 lid 1, tenzij door het bevoegde bestuursorgaan een ontheffing is verleend.

    3) Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    4) Indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  2. De burgemeester kan de vergunning voorts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de te verwachten parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling of sociale onveiligheid;

    b. de aard van het horecabedrijf;

    c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

    d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en

    e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

    f. (dreigende) aantasting van de openbare orde; waarbij onder aantasting van de openbare orde tevens wordt begrepen aantasting van de rechtsorde. Hieronder wordt tevens verstaan de situatie dat de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen heeft of tot gevolg kan hebben;

    g. het Omgevingsplan;

    h. de situatie waarin er naar zijn oordeel sprake is van een ongewenste concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt.