-
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden of op andere wijze de orde te verstoren.
-
In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied aanwijzen waar door politieambtenaren of buitengewoon opsporingsambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats, die deel uitmaakt van dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
-
Een ieder, die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid.
-
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
-
Op de aanvraag om een ontheffing, als bedoeld in het vijfde lid, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Algemene plaatselijke verordening gemeente Kerkrade 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 3A: Voetbal
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5A. Exploitatievergunning en toezicht smart- en headshop
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 6A (vervallen)
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen tegen overlast, gevaar of schade
- Artikel 2:86
- Artikel 2:87
- Artikel 2:88
- Artikel 2:89
- Artikel 2:90
- Artikel 2:91
- Artikel 2:92
- Artikel 2:93
- Artikel 2:94
- Artikel 2:95
- Artikel 2:96
- Artikel 2:96a
- Artikel 2:97
- Artikel 2:98
- Artikel 2:99
- Artikel 2:100
- Artikel 2:101
- Artikel 2:102
- Artikel 2:103
- Artikel 2:104
- Artikel 2:105
- Artikel 2:106
- Artikel 2:107
- Artikel 2:108
- Artikel 2:109
- Artikel 2:110
- Artikel 2:111
- Artikel 2:112
- Artikel 2:113
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
Paragraaf Afdeling 2. Collecteren
Paragraaf Afdeling 3. Venten
Paragraaf Afdeling 4. Standplaatsen
Paragraaf Afdeling 5. Snuffelmarkten
Paragraaf Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
Paragraaf Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Paragraaf Afdeling 8. Vuurverbod
Paragraaf Afdeling 9. Asverstrooiing
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 2:2
(Vervallen)
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
-
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 7 maal 24 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
-
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
-
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
-
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4
(Vervallen)
Artikel 2:5
(Vervallen)
Artikel 2:6
Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
-
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
-
Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
-
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7
(Vervallen)
Artikel 2:8
(Vervallen)
Artikel 2:9
Vertoningen op openbare plaatsen
-
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
-
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen op het verbod.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:10
Voorwerpen op of aan de weg
-
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b. niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
-
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
-
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
-
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Het verbod is niet van toepassing op:
a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b, standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994.
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
-
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
-
Het verbod geldt niet voor het leggen, omleggen, vernieuwen, herstellen en verwijderen van kabels en buizen met toebehoren in wegen door een bedrijf dat zich in het kader van de openbare voorzieningen bezighoudt met de levering van gas, elektriciteit, water en / of warmte.
Artikel 2:12
Maken of veranderen van een uitweg
-
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;
e. indien het omgevingsplan bepaalt dat onder strijdig gebruik wordt verstaan het in overwegende mate gebruiken van particuliere – althans niet openbare – gronden, gelegen vóór de voorgevel van de woningen, ten behoeve van het stallen van motorvoertuigen en de opslag van caravans.
-
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:13
Veroorzaken van gladheid
-
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde wordt voorzien in artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:14
Winkelwagentjes
-
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:
a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en
b. en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.
-
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
-
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:15
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16
Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17
Kelderingangen en dergelijke
-
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
-
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
-
Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
-
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20
(Vervallen)
Artikel 2:21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
-
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22
Objecten onder hoogspanningslijn
-
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
-
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2:23
Veiligheid op het ijs
-
Het is verboden:
a. Voor het publiek toegankelijk ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b. Bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2:24
Definities
-
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en veranderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:84;
g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f;
h. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:27;
i. de door het gemeentebestuur vastgestelde kermissen.
-
Onder evenement wordt mede verstaan:
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e. een straatfeest of buurtbarbecue;
f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s.
-
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;
b. het evenement maximaal 1 dag duurt;
c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 8.00 uur of na 22.00 uur (zo-do) en na 23.00 uur (vr-za), dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(a) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;
d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan; (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten;
Artikel 2:25
Evenementenvergunning
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
In nadere regels kunnen categorieën evenementen worden aangewezen.
-
Voor het aanvragen van een evenementenvergunning dient de evenement assistent gebruikt te worden.
-
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:
a. De organisator ten minste 4 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; en
b. Er geen straten/pleinen hoeven te worden afgezet.
-
Indien er tijdens een klein evenement ook alcohol, als bedoeld in de Alcoholwet, zal worden geschonken, dient hiervoor een ontheffing conform de Alcoholwet te worden aangevraagd.
-
De burgemeester stelt een formulier vast voor het melden van een klein evenement.
-
In afwijking van lid 4 is een vergunning vereist voor een vechtsportevenement.
-
Ten aanzien van (meldingsplichtige) evenementen kan de burgemeester nadere regels stellen.
-
Het verbod is niet van toepassing op een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Een vergunning wordt door het bevoegd orgaan geweigerd indien er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
-
Op de melding en vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning weigeren indien naar zijn oordeel:
a. De bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;
b. De afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is opgelegd aan de organisator.
c. De inhoud of uitstraling van het evenement niet past bij het imago of de belangen van de gemeente Kerkrade.
Artikel 2:25a
Termijn voor het indienen van een melding of aanvraag voor een evenementenvergunning
-
In afwijking van artikel 1:8, lid 2, stelt de burgemeester de vergunningaanvraag voor een evenementenvergunning buiten behandeling indien:
a. Een A-evenement niet ten minste 6 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;
b. Een B-evenement niet ten minste 3 maanden voor aanvang van het evenement is aangevraagd;
c. Een C-evenement niet ten minste 6 maanden voor aanvang van het evenement is aangevraagd;
d. Voor een C-evenement geen vooraankondiging is ingediend door middel van de evenement assistent in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
Artikel 2:25b
Beslistermijn voor melding en aanvraag evenementenvergunning
-
In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester op de aanvraag van een A-evenement uiterlijk een week voor aanvang van het evenement.
-
In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester op de aanvraag van een B-evenement uiterlijk drie weken voor aanvang van de opbouw van het evenement.
-
In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester op de aanvraag van een C-evenement uiterlijk drie weken voor aanvang van de opbouw van het evenement.
Artikel 2:26
Ordeverstoring en deelname aan niet vergunde evenementen
-
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
-
Het is eenieder voor wie het kenbaar is of redelijkerwijs kenbaar had moeten zijn dat een evenement niet vergund is, verboden wordt of beëindigd is, verboden deel te nemen aan dat evenement.
Artikel 2:27
Betaalde voetbalwedstrijden
In deze afdeling wordt verstaan onder:
1. Organisator:
a. De betaald voetbalorganisatie Roda J.C. Kerkrade; of
b. Indien het gaat om een wedstrijd tussen betaald voetbalorganisaties uit andere gemeenten of tussen vertegenwoordigende elftallen, de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond; dan wel
c. Degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken.
2. Voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder lid 1.
3. Stadion: Het voetbalstadion gelegen aan de Roda J.C. Ring 1. Onder de omgeving wordt verstaan: het gebied dat begrensd wordt door de volgende wegen: Imstenraderweg, Locht, Beitel en de stadsautoweg N281.
Artikel 2:28
Kennisgeving
-
De organisator van een voetbalwedstrijd is verplicht ten minste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de Burgemeester. In de door de Burgemeester te bepalen bijzondere gevallen geldt een termijn van zeven dagen.
-
Kennisgeving als bedoeld in het eerste lid bevat een opgave van het verwachte aantal toeschouwers en bevat een omschrijving van de wanordelijkheden welke redelijkerwijs kunnen worden tegemoet gezien.
-
De kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.
-
De Burgemeester kan het spelen of het doen spelen van een voetbalwedstrijd, bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, verbieden:
a. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde;
b. indien geen of niet tijdig een schriftelijke kennisgeving is gedaan.
-
Het is verboden een voetbalwedstrijd te spelen of te doen spelen wanneer een verbod als bedoeld in het vierde lid is uitgevaardigd.
-
De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid met betrekking tot een voetbalwedstrijd voorschriften geven.
-
Het in artikel 2:1, tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:30
Opvolgen aanwijzingen
Een ieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2:31
Verwijderingsplicht voetbalsupporters
-
Personen, die zich door kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kennelijk manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij de orde verstoren of dreigen te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
-
Het in lid 1 bedoelde bevel van een ambtenaar van politie dient opgevolgd te worden tot en met vier uur na beëindiging van de voetbalwedstrijd.
Artikel 2:32
Supportersstromen
-
Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht, in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet, om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.
-
Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht, in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet, om direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente.
-
Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd almede op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen, zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie zich buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Kerkrade.
Artikel 2:33
Plaatsbewijzen
-
Het is verboden op of aan de weg een plaatsbewijs voor een in het Parkstad Limburg Stadion in het kader van het betaald voetbal te spelen wedstrijd dan wel een aldaar anderszins te houden activiteit te koop aan te bieden of ten verkoop voorhanden te hebben anders dan in of vanuit de daartoe bestemde ruimte.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 2:34
Stadion omgevingsverbod
-
De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 4 uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot 4 uur na afloop van voetbalwedstrijden. Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 2 jaar.
-
Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover de persoon tot wie het verbod gericht is in het gebied woonachtig is, blijkens opgave in het persoonsregister.
-
De Burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.
-
De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot het stadion omgevingsverbod.
Artikel 2:35
Definities
-
In deze afdeling wordt onder
a. Openbare inrichting verstaan:
1) Een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, waterpijpcafé, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;
2) Elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
-
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen een vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling uit van die besloten ruimte.
-
Deze afdeling is tevens van toepassing op een afhaalcentrum, zijnde een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht.
-
In deze afdeling wordt verstaan onder:
* Alcoholhoudende drank,
* Leidinggevende,
* Horecabedrijf,
* Horecalokaliteit,
* Inrichting
*Paracommerciële rechtspersoon,
* Sterke drank,
* Slijtersbedrijf, en
* Zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:36
Exploitatie openbare inrichting
-
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b. zorginstelling;
c. museum; of
d. bedrijfskantine of –restaurant.
-
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien:
a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of
b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of in dit hoofdstuk.
-
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid onder a.
-
Met de exploitatie van een openbare inrichting mag alleen worden begonnen nadat de gevraagde vergunning(en) is / zijn verleend. Het bevoegd orgaan kan dienaangaande in bijzondere omstandigheden afwijken.
-
Aan het exploiteren van een openbare inrichting kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen ook voorwaarden worden verbonden.
-
Iedere exploitant en leidinggevende(n) in een openbare inrichting dient zich, ten behoeve van de bedrijfsvoering, in te spannen om te voldoen aan hetgeen in het horecabeleid ‘Veilig uitgaan’ Kerkrade is neergelegd.
-
Het horecabeleid ‘Veilig uitgaan’ Kerkrade is onderdeel van iedere vergunning en wordt met deze vergunning aan de exploitant uitgereikt.
-
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en op de vrijstelling.
Artikel 2:37
Uitzondering vergunningsplicht
Het bevoegd orgaan kan bij openbare kennisgeving:
a. bepalen dat het exploiteren van categorieën openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, is vrijgesteld van de vergunningplicht;
b. nadere regels stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling.
Artikel 2:39
Inrichtingseisen
-
De openbare inrichting van een alcoholvrij bedrijf dient te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 10 lid 2 van de Alcoholwet.
-
Het bevoegd orgaan kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
-
Het bevoegd orgaan beslist binnen 12 weken nadat het verzoek om ontheffing is ingekomen.
-
Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen.
-
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vrijstelling bedoeld in het tweede lid.
-
De bij of krachtens dit artikel gestelde eisen gelden in aanvulling op hetgeen is geregeld bij of krachtens de artikelen 2, 3, 5, 6 en 120 van de Woningwet.
Artikel 2:40
Weigeringsgronden openbare inrichting zijnde een alcoholvrij bedrijf
-
Een vergunning wordt door het bevoegd orgaan geweigerd indien:
1) De (natuurlijke) exploitant/ondernemer:
a. die de vergunning heeft gevraagd een openbare inrichting heeft/hebben geëxploiteerd die evenwel op grond van verstoring van de openbare orde binnen een termijn van vijf jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag gesloten is geweest c.q. waarvoor de krachtens deze verordening dan wel de Alcoholwet verleende vergunning op grond van verstoring van de openbare orde door het daartoe bevoegd orgaan is ingetrokken;
b. door de ondernemer c.q. degenen die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(en) en/of leidinggevende(n) niet wordt voldaan aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet;
c. bij toepassing van de Wet Bibob, de ondernemer resp. aanvrager van de vergunning weigert de hiervoor gestelde vragen te beantwoorden en/of de gevraagde, noodzakelijke, bescheiden in te dienen;
d. er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
e. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
2) De horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 2:39 lid 1, tenzij door het bevoegde bestuursorgaan een ontheffing is verleend.
3) Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
4) Indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
-
De burgemeester kan de vergunning voorts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
-
Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:
a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de te verwachten parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling of sociale onveiligheid;
b. de aard van het horecabedrijf;
c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;
d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en
e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.
f. (dreigende) aantasting van de openbare orde; waarbij onder aantasting van de openbare orde tevens wordt begrepen aantasting van de rechtsorde. Hieronder wordt tevens verstaan de situatie dat de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen heeft of tot gevolg kan hebben;
g. het Omgevingsplan;
h. de situatie waarin er naar zijn oordeel sprake is van een ongewenste concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt.
Artikel 2:41
Voorwaarden en voorschriften
-
Het bevoegd orgaan kan aan een vergunning voorwaarden en voorschriften verbinden.
a. Voorwaarden komen voort uit deze verordening en worden ten aanzien van de vergunning van de exploitant expliciet opgenomen;
b. Voorschriften kunnen door het bevoegd orgaan aan een vergunning worden verbonden en dienen door exploitant en/of leidinggevenden te worden nageleefd.
-
Gevolgen van voorwaarden en voorschriften:
a. Het niet nakomen van voorwaarden, voorschriften, nadere regels of de bepalingen in deze verordening kan leiden tot het (tijdelijk) sluiten van de inrichting of intrekken van de vergunning;
b. Het niet nakomen van voorwaarden, voorschriften, nadere regels of bepalingen in deze verordening leidt tot toepassing van sanctie(s), zoals neergelegd in het Horecasanctiebeleid welk beleid onderdeel uitmaakt van deze verordening.
-
De in het eerste lid, sub b, bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. De openings- en sluitingstijden van de horeca-inrichting;
b. De verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of buiten de besloten ruimte van de horeca-inrichting;
c. De wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd;
d. Het aantal bezoekers dat gelijktijdig in de inrichting aanwezig mag zijn;
e. De aanwezigheid van de leidinggevende.
-
Het bevoegd orgaan kan de aan een vergunning verbonden voorschriften wijzigen dan wel nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden.
-
Het is verboden te handelen in strijd met één of meer van de aan de vergunning verbonden voorschriften.
Artikel 2:42
Intrekkingsgronden
-
De vergunning wordt door het bevoegd orgaan ingetrokken indien:
a. Ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. Door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
c. Zich in de betrokken horeca-inrichting feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;
d. Sprake is van een situatie welke niet in overeenstemming is met hetgeen is bepaald onder de weigeringsgronden;
e. Binnen een termijn van 6 maanden na dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;
f. Op verzoek van de vergunninghouder(s).
-
Het bevoegd orgaan kan de vergunning intrekken indien:
a. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden en/of voorschriften;
b. er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting;
c. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling;
d. er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e. indien er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval dat na verlenen van de vergunning blijkt dat sprake is van toepassing van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 2:43
Reikwijdte vergunning alcoholvrij bedrijf
Bij overlijden van de vergunninghouder kan de openbare inrichting door of namens een van zijn rechtsopvolgers, die voldoen aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet, worden voortgezet tot een maand na het overlijden of indien binnen die termijn ter zake een nieuwe vergunning is aangevraagd tot het tijdstip waarop op deze aanvraag onherroepelijk is beslist.
-
De vergunning geldt uitsluitend voor een of meer in de vergunning vermelde ruimten.
Artikel 2:44
Exploitatie terras
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester:
a. op de openbare weg een terras te plaatsen of te hebben;
b. of een terras te exploiteren indien zulks vanaf de openbare weg waarneembaar is
indien en voor zover de in het eerste lid, onder a en b bedoelde terrassen betrekking hebben op of onderdeel vormen van de uitoefening van een horecabedrijf en alcoholvrij bedrijf, behoudens het betreft een verzorgings- c.q. bejaardentehuis.
-
De in het eerste lid genoemde vergunning kan naast de gronden zoals genoemd in artikel 1:8 worden geweigerd ter:
a. voorkoming of beperking van overlast;
b. bescherming van het leefmilieu en het karakter van de omgeving;
c. bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. bescherming van de verkeersveiligheid of –vrijheid;
e. bescherming van een doelmatig gebruik dan wel een doelmatig onderhoud van de openbare weg.
-
Aan het exploiteren van een terras kunnen nadere regels en voorwaarden worden gesteld.
-
Het is verboden dranken en eetwaren voor directe consumptie ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg dat volgens de vergunning als terras mag worden geëxploiteerd.
-
Op de vergunning bedoeld in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:45
Sluitingstijd
-
Openbare inrichtingen waarbinnen de verstrekking van alcoholhoudende dranken tot de reguliere bedrijfsuitoefening kan worden gerekend zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00uur en 06.00 uur, tenzij bij deze verordening, nadere regels of in de vergunning andere openings- en sluitingstijden zijn bepaald.
-
Openbare inrichtingen waarbinnen de verstrekking van alcoholhoudende dranken niet tot de reguliere bedrijfsuitoefening kan worden gerekend zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 04.00uur en 06.00 uur sluitingstijd, tenzij bij deze verordening, nadere regels of in de vergunning andere openings- en sluitingstijden zijn bepaald.
-
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
-
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:36, tweede lid aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
-
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:47
Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende alcoholvrij bedrijf
-
De vergunning is in de openbare inrichting aanwezig.
-
De leidinggevende geeft de vergunning op eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar ter inzage af.
-
Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende die als zodanig op de exploitatievergunning staat vermeld niet in het bedrijf aanwezig is.
-
De verleende vergunning geldt niet voor andere gedeelten van de openbare weg dan die, waar dat verstrekken door de burgemeester uitdrukkelijk is toegestaan.
-
De exploitant doet binnen twee weken na beëindiging van de exploitatie van een bedrijf daarvan mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 2:48
Aanvraag vergunning
-
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag bij het bevoegd orgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegd orgaan vast te stellen aanvraagformulier.
-
Gelijktijdig met het indienen van de vergunningaanvraag dienen de volgende bescheiden te worden ingediend:
a. voor de locatie van de horeca-inrichting, incl. terras, een (voorwaardelijke) huurovereenkomst of eigendomsakte;
b. de nodige gegevens omtrent leidinggevenden en een recente verklaring omtrent het gedrag niet ouder dan drie maanden op de dag van de vergunningaanvraag;
c. indien op deze aanvraag van toepassing, een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig de Wet Bibob; en
d. verdere bescheiden in te dienen die op het aanvraagformulier worden vermeld.
-
De vergunning:
a. Is persoonsgebonden en niet overdraagbaar; en
b. wordt gesteld ten name van de exploitant van de openbare inrichting; en
c. uitsluitend de op de vergunning vermelde leidinggevende(n) mag/mogen worden belast met het leiding geven in de openbare inrichting.
Artikel 2:49
Beslissing op de aanvraag
-
Het bevoegd orgaan beslist op de aanvraag voor een vergunning:
a. binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag volledig ingevuld is ontvangen en voorzien van alle vereiste bescheiden of;
b. na de dag waarop het verzuim tot het overleggen van de, krachtens het aanvraagformulier, vereiste bescheiden is hersteld en de aanvraag compleet is.
-
Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen.
-
Indien bij de aanvraag toepassing wordt gegeven aan een onderzoek overeenkomstig de Wet Bibob:
a. wordt de beslistermijn bedoeld in lid 1, ten behoeve van het lokaal advies, met ten hoogste met 12 weken verdaagd; en
b. indien een lokaal advies geen uitsluitsel biedt wordt ten behoeve van een advies van het Landelijk Bureau Bibob de termijn onder lid 3a nog eens met 8 weken verdaagd.
Artikel 2:50
Vervallen van de vergunning
Een vergunning vervalt:
a. Wanneer voor dezelfde openbare inrichting een nieuwe vergunning als hiervoor bedoeld, dan wel een Alcoholwet-vergunning, is afgegeven;
b. Indien de enige vergunninghouder als zodanig niet meer aan het rechtsverkeer deelneemt;
c. Indien er gedurende een periode van 6 maanden geen gebruik is gemaakt van de lopende vergunning doordat er geen bedrijfsmatige activiteiten in de inrichting hebben plaatsgevonden.
Artikel 2:51
Sluiting van de horeca-inrichting
-
Het bevoegd orgaan kan de sluiting van een inrichting, al dan niet voor een bepaalde tijd, bevelen indien:
a. De ondernemer(s) in strijd handelt/handelen met wettelijke voorschriften zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet 2000, Wet arbeid vreemdelingen en de Opiumwet;
b. Gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden of voorschriften;
c. De exploitatie van een openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat.
-
Tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen wordt de ondernemer in ieder geval in kennis gesteld van het voornemen de inrichting (tijdelijk) te sluiten en wordt hij in de gelegenheid gesteld dienaangaande te worden gehoord.
-
Indien de (tijdelijke) sluiting wordt geëffectueerd wordt de sluiting geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of toegangen van de horeca-inrichting is/zijn aangebracht.
-
Zolang het bevel van sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
-
Zolang het bevel van sluiting van kracht is, is het verboden deze als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.
-
De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door het bevoegd orgaan worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:52
Verboden gedragingen
-
Het is verboden in een openbare inrichting:
a. de openbare orde te verstoren;
b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:46;
c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;
d. glazen, benut voor het schenken van dranken, buiten de openbare inrichting te laten brengen.
-
Het is voor de exploitant van een openbare inrichting verboden om een bijeenkomst te laten plaatsvinden in een openbare inrichting voor een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.
Artikel 2:53
Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:54
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:36 tot en met 2:46 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:55
Toezicht en handhaving openbare inrichtingen
-
Met het toezicht op openbare inrichtingen zijn belast:
a. Ambtenaren van politie in uitvoering van hun taken; en/of
b. Aangewezen toezichthouders en/of buitengewone opsporingsambtenaren belast met de Algemene plaatselijke verordening of een andere van toepassing zijnde wettelijke bepaling.
Artikel 2:56
Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
h. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar voor de indiening van een vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
-
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
-
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
f. of er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of
h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of
i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of
j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
-
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
-
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
-
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
-
Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:57
Definities
-
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Smartshop: een locatie waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet psychoactieve substanties, waaronder niet-traditionele genotmiddelen op natuurlijke basis en gerelateerde literatuur en accessoires worden bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.
b. Headshop: een locatie waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet artikelen en hulpmiddelen voor het gebruik van drugs zoals jointvloeitjes, (water)pijpen, grinders, vaporizers en dergelijke te koop worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn
c. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;
d. Leidinggevende: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het winkelbedrijf.
-
In dit hoofdstuk wordt onder bezoeker niet verstaan:
a. de gezinsleden van de exploitant alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;
c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
d. het dienstdoende personeel.
-
Inzake smart- en headshops kunnen nadere regels worden gesteld.
Artikel 2:58
Vergunningsplicht smart- en headshops
-
Het is verboden een smart- of headshop te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier, dat vergezeld gaat van:
a. een situatietekening waaruit blijkt de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting, schaal tenminste 1:1000;
b. een plattegrondtekening van de inrichting, schaal tenminste 1:100.
-
Bij de aanvraag voor een smart- of headshop dient ook een volledig ingevuld, ondertekend en van de gevraagde bescheiden voorzien formulier in het kader van de Wet Bibob te worden ingediend.
-
De vergunning kan alleen maar aan natuurlijke personen worden verleend.
-
De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant, is persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:59
Afnemend maximum
-
Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum wordt bepaald door het aantal inrichtingen dat op het moment van inwerkingtreding van de verordening 2001, gewijzigd in 2005, werden geëxploiteerd, welk aantal door de burgemeester werd vastgesteld op het moment van inwerkingtreding van de wijziging 2005 van de verordening 2001.
-
Indien de exploitatie van een inrichting, al dan niet gedwongen, wordt beëindigd, neemt het in het eerste lid bedoelde maximum evenredig af.
Artikel 2:60
Beslissingstermijn
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 neemt het bevoegd bestuursorgaan een beslissing op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:58 lid 1 van deze verordening binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
-
Indien de aanvraag niet compleet is, vindt behandeling plaats op het moment dat de aanvraag is gecomplementeerd.
-
Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
-
Ten behoeve van een lokaal Bibob advies kan de termijn nog eens met ten hoogste 4 weken worden verdaagd.
-
Indien een advies bij het Landelijke Bureau Bibob wordt gevraagd kan de beslistermijn na toepassing van lid 3 en 4 nog eens met 8 weken worden verdaagd.
Artikel 2:61
Gedragseisen
-
De aanvrager van een vergunning alsook de leidinggevenden die (mede) op een vergunning dienen te worden gezet, dienen aan volgende eisen te voldoen:
a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet zijn;
b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;
c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt;
d. zij moeten niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking zijn gesteld.
-
Bovendien dienen ter beoordeling van het levensgedrag onder anderen de volgende persoonseisen:
a. zij mogen niet binnen minimaal vijf jaar, vanaf het moment dat de aanvraag in behandeling is genomen, voor een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba;
b. Met een veroordeling als bedoeld het tweede lid sub a wordt gelijkgesteld een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
c. Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als bedoeld in het tweede lid onder a wordt gelijk gesteld een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke vrijheidsstraf.
d. bij weigering van de vergunning wordt minimaal een periode van vijf jaar teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
e. bij de intrekking van een vergunning wordt teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
-
Zij mogen niet binnen minimaal de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van:
a. bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet , de Opiumwet;
b. bepalingen gesteld bij of krachtens de Wet op de accijns en de Douanewet, voor zover het betreft alcoholhoudende dranken;
c. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
d. de artikelen 137c tot en met 137g , 140, 240b , 250ter , 252, 416, 417, 417bis , 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
e. de artikelen 1, onder a, b en d , 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
f. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
g. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
-
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid, wordt gelijkgesteld betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, tenzij de geldsom € 375 of minder bedraagt.
-
Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf.
-
Een leidinggevende is binnen minimaal de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van de Alcoholwet, die gesloten was op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.
Artikel 2:62
Weigeringsgronden
De vergunning wordt geweigerd indien:
a. het in artikel 2:59 bedoelde maximum aantal inrichtingen is bereikt.
b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het omgevingsplan;
c. de exploitant binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde gesloten is geweest;
d. de exploitant de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
e. de exploitant/leidinggevende(n) niet voldoet aan de eisen gesteld in 2:61;
f. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;
g. er sprake is van een concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;
h. de inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van horecabedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;
i. de inrichting gevestigd is in de directe nabijheid van een terrein waarop een school of jongerencentrum is gehuisvest;
j. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
k. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet Bibob);
l. Voordat toepassing wordt gegeven aan sub k, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 2:63
Aanwezigheid exploitant/leidinggevende
Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te hebben indien in de inrichting geen exploitant/leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op de exploitatievergunning.
Artikel 2:64
Verplaatsing inrichting
-
Het is verboden een inrichting te verplaatsen zonder toestemming van de burgemeester.
-
De toestemming kan uitsluitend worden verleend:
a. indien het algemeen belang naar het oordeel van de burgemeester zulks vordert, hetgeen met name het geval is indien:
* de aanwezigheid en/of de exploitatie van de inrichting ertoe bijdraagt dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de te verplaatsen inrichting hierdoor op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
* sprake is van een concentratie van inrichtingen waardoor het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed.
b. voorts indien op de beoogde nieuwe locatie:
* de vestiging en/of exploitatie geen strijd oplevert met het omgevingsplan;
* de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;
* er geen sprake is van een concentratie van inrichtingen, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;
* de inrichting niet gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van horecabedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;
* de inrichting niet gevestigd is in de directe nabijheid van een terrein waarop een school of jongerencentrum is gehuisvest;
* de inrichting, blijkend uit een over te leggen plattegrondtekening van de nieuwe locatie, qua oppervlakte niet groter is dan maximaal 125% van de oppervlakte van de inrichting op de locatie die is verlaten.
-
Indien een inrichting wordt verplaatst met toepassing van het tweede lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend voor de nieuwe locatie, waarbij de in het tweede lid bedoelde plattegrondtekening deel uitmaakt van de vergunning.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:65
Sluitingsuur
-
Op de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing.
-
Het is de exploitant van een inrichting verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijden dat de inrichting op grond van de in het eerste lid bedoelde regelgeving voor het publiek gesloten dient te zijn.
Artikel 2:66
Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens in artikel 2:65 bedoelde sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.
Artikel 2:67
Sluiting
De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:
a. de exploitant van de inrichting handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:65 en 2:66 of artikelen 2 of 3 van de Opiumwet;
b. de exploitant van de inrichting handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.
Artikel 2:68
Aanwezigheid in gesloten inrichting
-
Het is personen verboden gedurende de tijd dat een inrichting is gesloten, ingevolge artikel 2:67 dan wel op basis van een besluit overeenkomstig artikel 13b Opiumwet, de inrichting te betreden of zich daar in te bevinden.
-
Het is de exploitant van een inrichting verboden gedurende de tijd dat een inrichting, ingevolge artikel 2:65 dan wel een overeenkomstig artikel 13b Opiumwet genomen besluit, voor bezoekers gesloten dient te zijn, deze inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
Artikel 2:69
Intrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:
a. de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de vergunning genoemde exploitant is of wordt overgenomen.
b. de inrichting krachtens een verleende of te verlenen bouwvergunning is of wordt gewijzigd en waarbij de totale oppervlakte van de inrichting wordt vergroot.
c. de exploitant of leidinggevenden niet of niet langer voldoen aan de in 2:61 gestelde eisen.
Artikel 2:70
Toegang ambtenaren van politie
De exploitant is verplicht er zorg voor te dragen dat ambtenaren van politie in de uitoefening van hun taken als ook ambtenaren van de gemeente die zijn belast met toezicht en handhaving van de bepalingen bij of krachtens deze verordening, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting:
a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is dan wel
b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien die ambtenaren van politie het vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2:71
Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:72
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:73
(Vervallen)
Artikel 2:74
Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:75
(vervallen)
Artikel 2:76
(vervallen)
Artikel 2:77
(vervallen)
Artikel 2:78
(Vervallen)
Artikel 2:79
(Vervallen)
Artikel 2:80
(Vervallen)
Artikel 2:81
(Vervallen)
Artikel 2:82
(vervallen)
Artikel 2:83
(vervallen)
Artikel 2:84
Speelgelegenheden
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien:
a. Naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b. De exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:85
Kansspelautomaten
-
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde orgaan in een horecabedrijf, die beschikt over een vergunning op grond van de Alcoholwet, kansspelautomaten aanwezig te hebben.
-
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
-
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
-
De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal 4 jaar.
Artikel 2:86
Betreden gesloten woning of lokaal
-
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden een krachtens artikel 2:129 of 2:130 van de Algemene Plaatselijke Verordening Kerkrade gesloten niet voor het publiek openstaand gebouw, een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelgedeelte of enige andere ruimte te betreden.
-
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
-
Het is verboden de in het kader van een sluiting door of namens het bevoegd gezag aangebrachte (afsluit)voorziening te verwijderen of ongedaan c.q. onklaar te maken.
-
De burgemeester is bevoegd van de verboden, zoals genoemd in lid 1, 2 en 3 van dit artikel, ontheffing te verlenen.
Artikel 2:87
Plakken en kladden
-
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
-
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
-
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:88
Vervoer plakgereedschap en dergelijke
-
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:87.
Artikel 2:89
Vervoer inbrekerswerktuigen
-
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Onder inbrekerswerktuigen wordt onder andere doch niet uitsluitend verstaan: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te breken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
-
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:90
Vervoer geprepareerde voorwerpen
-
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:91
Betreden van plantsoenen en dergelijke
-
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.
-
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:92
Rijden over bermen en dergelijke
-
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
-
Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:93
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden op een openbare plaats:
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:94
Verboden drankgebruik
-
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing op:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:95
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden zonder redelijk doel:
a. Zich in een portiek of poort op te houden
b. In, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:96
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:96a
(Vervallen)
Artikel 2:97
Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:98
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen, met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:99
(Vervallen)
Artikel 2:100
(Vervallen)
Artikel 2:101
(Vervallen)
Artikel 2:102
(Vervallen)
Artikel 2:103
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:104
Verontreiniging door honden
-
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:105
Verplichting tot het voeren van ruimmiddel
-
Het is de eigenaar / houder verboden een hond te laten verblijven / lopen op de weg zonder dat men een deugdelijk hulpmiddel, dat gezien vorm en constructie kennelijk bestemd is tot het opruimen van hondenuitwerpselen, bij zich draagt.
-
Degene die zich met een hond op de in het eerste lid bedoelde plaatsen bevindt is verplicht het hulpmiddel op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren te tonen.
Artikel 2:106
Verontreiniging door paarden
-
De eigenaar, houder of verzorger van een paard alsmede hij die een paard onder zijn hoede heeft, is verplicht indien het paard zich binnen de bebouwde kom op een weg of een voor het publiek toegankelijke plaats, behoudens daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen bevindt, ervoor te zorgen.
a. dat het paard zich niet van uitwerpselen kan ontdoen.
b. een deugdelijk opruimmiddel voor het verwijderen van de uitwerpselen bij zich te dragen en dit op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, te tonen.
-
Indien de eigenaar of houder van een paard verzuimt de in het eerste lid genoemde verplichting na te komen, kunnen burgemeester en wethouders betrokkene aanschrijven, dat het verboden is het paard op de in het eerste lid genoemde plaatsen te laten verblijven of te laten lopen.
-
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar, houder of verzorger van een paard alsmede hij die een paard onder zijn hoede heeft ervoor zorg draagt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
Artikel 2:107
Gevaarlijke honden
-
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
-
Onverminderd artikel 2:103, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:108
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
-
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben;
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d. te voeren.
-
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:109
(Vervallen)
Artikel 2:110
Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:111
Duiven
-
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het gebod in het eerste lid.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:112
Bijen
-
Het is verboden bijen te houden:
a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;
b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet indien op een afstand van ten hoogste 6 meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
Artikel 2:113
Bedelarij
Het is verboden op of aan de weg of in de nabijheid van een openbaar gebouw of op enige voor het publiek toegankelijke plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:114
Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:115
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
De handelaar is verplicht digitaal in het landelijke Digitale Opkopers Register (DOR) aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt en daarin onverwijld op te nemen:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
-
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
-
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:116
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2° van een verandering van de onder 1° bedoelde adressen;
3° dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:118
Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2, F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:119
Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens de verkoopdagen
-
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
-
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:120
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
-
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:121
Carbidschieten
-
Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
-
Het is verboden om binnen de bebouwde kom in de openlucht met carbid te schieten.
-
Het verbod in het tweede lid geldt niet als wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur;
b. de schietplaats ligt ten minste op:
i. 75 meter van woonbebouwing
ii 300 meter van zorginstellingen, boerderijen, stallen en/of dierenverblijven.
c. de volwassene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen waaronder de zorg voor een afgezet schietveld vrij van publiek, de schietrichting is van gebouwen af, een goede verlichting op het schietterrein, minimaal één volwassen toezichthouder op het schietterrein, de toezichthouder is herkenbaar door het dragen van een oranjekleurig hesje en is alcohol- en drugsvrij.
d. er twee weken voorafgaande aan het schieten met carbid een schriftelijke melding wordt gedaan bij de burgemeester.
-
De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het niet is toegestaan om carbid te schieten. Tevens kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod zoals genoemd in het tweede lid.
-
Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2:122
Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:123
Openlijk drugsgebruik
-
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, voor zover die weg of plaats dan wel dat gebouw deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
-
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.
Artikel 2:123a
(Vervallen)
Artikel 2:123b
Weggooien van spuiten
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.
Artikel 2:124
Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:15, 2:16, 2:18, 2:26, 2:29, 2:31, 2:32, 2:52, 2:78, 2:93, 2:95, 2:96, 2:120, 2:221, 2:122 en 2:123 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:125
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:126
Cameratoezicht op openbare plaatsen
-
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester kan daartoe gebieden aanwijzen.
-
De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van voor eenieder toegankelijke plaatsen.
Artikel 2:127
Gebiedsontzeggingen
-
In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan de burgemeester of een daartoe aangewezen politieambtenaar of buitengewoon opsporingsambtenaar aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende een in het bevel bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in een of meer bepaalde, door het college aangewezen delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
-
De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde bevel of de in dat bevel genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
-
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd bevel als bedoeld in het eerste lid.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bevel, bedoeld in het eerste lid.
-
Op de aanvraag om een ontheffing, als bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:128
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
a. Geluid- of geurhinder;
b. Hinder van door de bewoner gehouden dieren;
c. Hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
d. Overlast door vervuiling van een woning of een erf;
e. Intimidatie van bewoners of derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:129
Sluiting overlast gevende, voor het publiek openstaande gebouwen
De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige gevolgen van het woon- en leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:35 – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:130
Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen in geval van misdrijf
De burgemeester kan, ter bescherming van de openbare orde, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, indien daar door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard, of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen.
Artikel 2:131
Gevaarlijke voorwerpen
-
Het is verboden op door de burgmeester aangewezen openbare plaatsen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot categorie I, II, III, IV van de Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde en veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.