1. De eigenaar, houder of verzorger van een paard alsmede hij die een paard onder zijn hoede heeft, is verplicht indien het paard zich binnen de bebouwde kom op een weg of een voor het publiek toegankelijke plaats, behoudens daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen bevindt, ervoor te zorgen.

    a. dat het paard zich niet van uitwerpselen kan ontdoen.

    b. een deugdelijk opruimmiddel voor het verwijderen van de uitwerpselen bij zich te dragen en dit op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, te tonen.

  2. Indien de eigenaar of houder van een paard verzuimt de in het eerste lid genoemde verplichting na te komen, kunnen burgemeester en wethouders betrokkene aanschrijven, dat het verboden is het paard op de in het eerste lid genoemde plaatsen te laten verblijven of te laten lopen.

  3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar, houder of verzorger van een paard alsmede hij die een paard onder zijn hoede heeft ervoor zorg draagt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.