1. De vergunning wordt door het bevoegd orgaan ingetrokken indien:

    a. Ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    b. Door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    c. Zich in de betrokken horeca-inrichting feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;

    d. Sprake is van een situatie welke niet in overeenstemming is met hetgeen is bepaald onder de weigeringsgronden;

    e. Binnen een termijn van 6 maanden na dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;

    f. Op verzoek van de vergunninghouder(s).

  2. Het bevoegd orgaan kan de vergunning intrekken indien:

    a. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden en/of voorschriften;

    b. er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting;

    c. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling;

    d. er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    e. indien er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval dat na verlenen van de vergunning blijkt dat sprake is van toepassing van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.