Algemene plaatselijke verordening Heerlen 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
AFDELING BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN
AFDELING BETOGING
AFDELING VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN
AFDELING VEILIGHEID OP DE WEG
AFDELING TOEZICHT OP EVENEMENTEN
AFDELING TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
AFDELING Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
AFDELING MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
AFDELING BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
AFDELING KERMISINRICHTINGEN
AFDELING
AFDELING CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN
AFDELING WOONOVERLAST
AFDELING GEBRUIK VAN CONSUMENTENVUURWERK EN CARBIDSCHIETEN
HOOFDSTUK DRUGSHANDEL, OPENLIJK DRUGSGEBRUIK, HORECA-INRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, ESCORTBEDRIJVEN, TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIFE ONDERNEMERSKLIMAAT
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

OPENBARE ORDE

Artikel 2:1

Verwijderingsbevelen, samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied aanwijzen waar door politieambtenaren of buitengewoon opsporingsambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats, die deel uitmaakt van dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel kan worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  3. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  4. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  6. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen, samenkomsten en vergaderingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of een vergadering te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 2 werkdagen voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2:5, eerste lid, hierover is bepaald.

  2. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

  3. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats en op een vooraf bepaalbaar tijdstip een regelmatig terugkerende samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden moet daarvan, voor de openbare aankondiging en ten minste 2 werkdagen voordat deze voor de eerste keer gehouden zal worden na inwerkingtreding van dit artikel, eenmalig schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen hierna daaromtrent is bepaald.

  4. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.

Artikel 2:4

Afwijking termijn

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2:3, eerste lid, genoemde termijn van twee werkdagen verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens

  1. De kennisgeving bevat:

  2. naam en adres van degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt;

  3. het doel van de samenkomst, vergadering of betoging;

  4. de datum waarop de samenkomst, vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

  5. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

  6. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

  7. maatregelen die degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  8. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen dan wel goederen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen dan wel goederen, of voor stukken met een ideële of levensbeschouwelijke inhoud.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:7

Bevel politie

  1. Hij, die op of aan de weg gedrukte of geschreven stukken aan publiek al dan niet tegen betaling aanbiedt, de kennisneming daarvan aanbeveelt of de inhoud ervan bekend maakt, is verplicht aan de vordering van een politie-ambtenaar, gedaan ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden of verkeersbelemmeringen, terstond te voldoen.

  2. Het bepaalde in lid 1 is van overeenkomstige toepassing op degene, die op of aan de weg propaganda maakt met behulp van borden, doeken, voertuigen of enig ander middel.

Artikel 2:8

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bepalen dat het verbod niet geldt indien wordt gehandeld overeenkomstig door de burgemeester gestelde eisen.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:9

Spelen om geld op of aan de weg

  1. Het is verboden op of aan de weg op een voor het publiek toegankelijke plaats, anders dan in een kermisinrichting waarvoor ingevolge deze verordening vergunning is verleend, gelegenheid te geven tot of deel te nemen aan enig spel met of om geld tegen geld inwisselbare voorwerpen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

  1. het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien het voorwerp of de stof:

    1. door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,

    2. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,

    3. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of

    4. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast of hinder.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:23;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:27;

    3. standplaatsen als bedoeld in de Standplaatsenverordening;

    4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  5. a. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening

  6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.

  8. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Besluit activiteiten leefomgeving of het omgevingsplan.

  9. Indien het college bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  10. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, het verbod in het eerste lid niet geldt.

Artikel 2:11

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:12

Maken en veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

  2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving of ter bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening .

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf is gelegen in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  3. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen, koekoeken e.d.

  1. Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  2. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  3. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

Artikel 2:20

Voorzieningen voor verkeer, verlichting en openbare dienst

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of anderszins ten behoeve van de openbare dienst worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

  2. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

  3. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:23

Begripsomschrijving

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  2. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw waarin de activiteit wordt uitgeoefend;

  3. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:21 van deze verordening;

  4. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  5. activiteiten in horecabedrijven in de zin van de Alcoholwet juncto artikel 2:27 van deze verordening voor zover die passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw waarin de activiteit wordt uitgeoefend;

  6. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  7. activiteiten als bedoeld in artikel 2:8 en 2:9;

  8. kermisinrichtingen als bedoeld in afdeling 11;

  9. sportwedstrijden, voor zover deze passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw of terrein waar de activiteit wordt uitgeoefend, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder e;

  10. activiteiten in een gemeenschapshuis of sporthal voor zover die passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw waarin de activiteit wordt uitgeoefend;

  11. Onder evenement wordt mede verstaan:

  12. een herdenkingsplechtigheid;

  13. een braderie;

  14. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

  15. een feest of wedstrijd op of aan de weg;

  16. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.

Artikel 2:24

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpver-lening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid:

    1. binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie B evenement;

    2. binnen zestien weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie C evenement.

  4. De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu voorschriften te verbinden aan het organiseren van een evenement.

  5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op meldingsplichtige evenementen zoals bedoeld in artikel 2:24a, mits wordt voldaan aan door de burgemeester gestelde voorschriften.

  6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. Het vijfde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:23, tweede lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, onder e, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  9. De burgemeester stelt jaarlijks uiterlijk op 1 november een jaarkalender vast voor het aankomende evenementenjaar. De jaarkalender loopt van 1 januari t/m 31 december. Aan plaatsing op de kalender kunnen geen rechten worden ontleend.

  10. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren indien het evenement niet is opgenomen op de jaarkalender of indien op de jaarkalender reeds een ander evenement in de gevraagde periode en op de gevraagde locatie is opgenomen (cumulatie).

  11. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:24a

Meldingsplichtige evenementen

  1. De burgemeester kan categorieën evenementen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, niet geldt maar waarvoor een meldingsplicht geldt en kan daarbij voorschriften stellen.

  2. De organisator van een evenement als bedoeld in het eerste lid meldt dit bij de burgemeester tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement, door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier.

  3. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een meldingsplichtig evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 2:24b

Ordeverstoring evenement

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:25

Voetbalwedstrijden

1a. De organisator van een wedstrijd waarvan een of meer deelnemers behoren tot een betaald voetbalorganisatie is verplicht tenminste vier weken voor de vastgestelde speeldag daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester.

1.b Ingeval van onvoorzienbaarheid of om andere dringende redenen kan de burgemeester de termijn uit lid 1.a buiten toepassing laten.

  1. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid bevat tenminste een opgave van het verwachte aantal toeschouwers per deelnemende partij en een gemotiveerde omschrijving van de inschatting van de mate waarin wanordelijkheden zijn te verwachten.

  2. De burgemeester kan het spelen of het doen spelen van een voetbalwedstrijd die behoort tot de in het eerste lid aangewezen categorie, dan wel enige andere voetbalwedstrijd, verbieden dan wel voorschriften opleggen:

    1. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu;

    2. indien niet of niet tijdig de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan.

  3. Het is verboden een wedstrijd, bedoeld in het eerste lid, te spelen of te doen spelen wanneer een verbod als bedoeld in het derde lid is uitgevaardigd.

Artikel 2:26

Beëindiging evenement

  1. Degene die een evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht:

  2. dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft;

  3. ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt;

  4. ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement.

  5. Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, onder a, gegeven is.

Artikel 2:27

Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, afhaalcentrum, buurthuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

  2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

  3. Leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting.

  4. Houder: degene die een openbare inrichting exploiteert of daarin de feitelijke leiding heeft.

  5. Bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:

    1. de leidinggevende, zijn levenspartner en hun directe gezinsleden;

    2. het dienstdoende personeel;

    3. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

    4. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:27a

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of -restaurant.

  3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  4. Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.

  5. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer(s) van de openbare inrichting en is niet overdraagbaar.

  6. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  7. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  8. Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  9. Een leidinggevende voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Alcoholwet.

  10. In afwijking van het negende lid, voor wat betreft de daarin bedoelde leeftijdseis, dient de leidinggevende van een openbare inrichting, niet zijnde een coffeeshop, de leeftijd van achttien jaar bereikt te hebben.

  11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, als:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. de leidinggevende niet meer voldoet aan de gestelde eisen als bedoeld in het negende en tiende lid;

    3. de vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste drie maal om bijschrijving van een persoon op de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die bijschrijving ten minste driemaal heeft geweigerd.

  12. De vergunning als bedoeld in het eerste lid vervalt van rechtswege als deze:

    1. sinds haar verlening onherroepelijk is geworden zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    3. een nieuwe vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoel-de vergunning van kracht is geworden.

  13. De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld:

    1. ter bescherming van de volksgezondheid, of

    2. in het belang van de openbare orde, of

    3. ter bevordering van de naleving van artikel 20 en 45a van de Alcoholwet.

  14. Het college kan nadere regels stellen voor de exploitatie van een openbare inrichting.

  15. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:28

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen met een vergunning op grond van de Alcoholwet zijn gesloten:

    1. op zaterdag tot en met maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur;

    2. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. Openbare inrichtingen zonder een vergunning op grond van de Alcoholwet zijn gesloten tussen 03.00 uur en 7.00 uur.

  3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  4. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, verboden een openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raadhuisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur,

    2. op maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur,

    3. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  5. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a, toegestaan een openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid met uitzondering van het terras, die gelegen is aan de Akerstraat (vanaf nummer 7 richting Pancra-tiusplein aan beide zijden), het Pancratiusplein, Geleenstraat 1, Bongerd 18 en de Pancratiusstraat, voor bezoekers geopend te hebben en / of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur.

  6. Het is, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, verboden een openbare inrichting als bedoeld in het tweede lid die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raad-huisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Put-graaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur;

    2. op maandag tot en met vrijdag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.

  7. Aan de krachtens het vierde en vijfde lid verruimde openingstijden, is de voorwaarde verbonden dat de houder van de inrichting actief deurbeleid voert vanaf 03:00 uur tot sluiting. Bij het niet naleven van deze voorwaarde geldt alsnog het verbod van het eerste lid.

  8. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  10. Het eerste, vierde, vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

Artikel 2:29

Toegang ambtenaren van politie

De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting:

  1. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is;

  2. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32a

Zwarte lijst

  1. Het is de houder van een openbare inrichting verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken of op andere wijze overlast veroorzaken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgmeester aan die houder zijn opgegeven.

  2. Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van openbare inrichtingen is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.

  3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:27a tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. alcoholhoudende drank,

  2. horecabedrijf,

  3. horecalokaliteit,

  4. inrichting,

  5. paracommerciële rechtspersoon,

  6. sterke drank,

  7. slijtersbedrijf en

  8. zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan zwakalcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

  2. maandag tot en met vrijdag vanaf 19.00 tot 24.00;

  3. zaterdag vanaf 15.00 tot 22.00; voor zover wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van deze schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan zwakalcoholhoudende drank te verstrekken tot 2 uur na beëindiging van deze activiteiten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het jaarplan van de rechtspersoon en de rechtspersoon doet uiterlijk 5 werkdagen voor betreffende activiteit melding hiervan aan de burgemeester.

  4. zondag vanaf 12.00 tot 21.00;

  5. Voor feestdagen (2de kerstdag, paasmaandag, pinkstermaandag, nieuwjaarsdag, hemelvaartsdag) geldt de begintijd van de zondag.

  6. Een paracommerciële rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt (gemeenschapshuizen) kan onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.

  7. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.

  8. Een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid of derde lid verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  9. 5.1 Een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid kan tijdens bijeenkomsten inherent aan de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, in afwijking van het eerste lid, zwak-alcoholhoudende drank verstrekken met inachtneming van het volgende:

    1. de drank wordt verstrekt tot uiterlijk 2:00 uur;

    2. de drank wordt verstrekt tijdens ten hoogste 15 bijeenkomsten per jaar;

    3. de rechtspersoon doet uiterlijk 10 werkdagen voor een bijeenkomst melding hiervan aan de burgemeester.

  10. 5.2. Een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid en zijnde een jeux de boules vereniging kan tijdens bijeenkomsten inherent aan de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, in afwijking van het eerste lid, zwak-alcoholhoudende drank verstrekken met inachtneming van het volgende:

  11. bij een activiteit in de periode van maandag tot en met vrijdag mag gedurende 1 dag de schenktijd beginnen om 13.00 uur;

  12. deze activiteit en de betreffende dag zijn opgenomen in het jaarplan van de rechtspersoon.

  13. Een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid kan, onverminderd het bepaalde in artikel 2:28, tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, in afwijking van het eerste en tweede lid, zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken met inachtneming van het volgende:

  14. de drank wordt verstrekt tijdens ten hoogste 12 bijeenkomsten per jaar;

  15. het organiseren van deze bijeenkomsten past binnen de statutaire doelomschrijving;

  16. de paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 5 werkdagen voor een bijeenkomst melding hiervan aan de burgemeester.

  17. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan een paracommercieel rechtspersoon dat zich richt op diensten voor zorg, verpleging en wonen sterke drank aan inwoners verstrekken.

Artikel 2:34c

Verbod happy hours

Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:34d

Beperking verkoop alcoholhoudende drank door inrichtingen artikel 18 lid 2 onder c Alcoholwet

Het is verboden om bedrijfsmatig of anders dan om niet zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken vanuit locaties als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder c, van de Alcoholwet die gevestigd zijn in het gebied, in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raadhuisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing:

  1. op vrijdag en zaterdag gedurende de tijdsruimte van 23:00 uur tot en met de toegestane sluitingstijd, alsmede

  2. tijdens door de burgemeester, vanwege het risico van verstoring van de openbare orde, aangewezen evenementen in het hiervoor bedoelde gebied, met dien verstande dat het verbod geldt van de begintijd tot de eindtijd van een aangewezen evenement, zoals die tijden zijn bepaald in de voor dat evenement verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 2:35

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:36

Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

  3. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of te laten aanplakken, of op andere wijze aan te brengen of te laten aanbrengen;

  4. met teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te laten aanbrengen met een permanent karakter.

  5. een commerciële tekst aan te brengen zonder daartoe voorafgaand door het college van burgemeester en wethouders verstrekte vergunning.

  6. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  7. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  8. Het college kan plaatsen aanwijzen waar de handelingen die in lid 2, sub b van dit artikel genoemd zijn, toegestaan zijn.

  9. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden en de in het vijfde lid bedoelde plaatsen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  10. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  11. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:37

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden tussen 22.00 en 6.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:36.

Artikel 2:38

Bezit van inbrekerswerktuigen en vervoeren van geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  2. Het is verboden op de weg een tas of een andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, die er kennelijk toe dient om het plegen van diefstal uit winkels te vergemakkelijken.

  3. De verboden gelden niet als aanstonds aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen.

Artikel 2:39

Betreden van plantsoenen e.d.

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op voor het publiek toegankelijke parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:40

Rijden over bermen e.d.

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.

  3. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

Artikel 2:41

Hinderlijk gedrag op of aan de weg

  1. Het is verboden:

  2. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

  3. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:42

Hinderlijk drankgebruik

  1. Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, waarbij hinder wordt of kan worden veroorzaakt.

  2. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:43

Glazen drinkgerei

  1. Het is verboden op een openbare plaats drinkgerei van glas of geopende flessen van glas bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

  2. De houder van een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.

  3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

  4. een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:27a;

  5. de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet voor zover in deze ontheffing is bepaald dat het gebruik van glas is toegestaan.

  6. In afwijking van het bepaalde in lid 3 sub a is het gebruik van glas op een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:27a desalniettemin verboden:

  7. in door de burgemeester te bepalen gevallen dan wel;

  8. indien voor het gebied op of aangrenzend aan het terras een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:24 (evenementenvergunning) voor de periode dat deze vergunning feitelijke betekenis heeft.

Artikel 2:44

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

  2. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

  3. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  4. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2:45

Afdwingen van steun, hulp of bijstand

Het is verboden op of aan de weg, aan de huizen en bij of in openbare gebouwen post te vatten, zich aldaar op te houden of aldaar kinderen neer te zetten of te leggen, een en ander met het kennelijk doel onderdak, steun, hulp of sociale bijstand af te dwingen.

Artikel 2:46

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:47

Neerzetten van fietsen e.d.

  1. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:

  2. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  3. daardoor die ingang versperd wordt.

  4. Het is verboden een fiets of een bromfiets, indien daardoor overlast veroorzaakt wordt, op of aan de weg te plaatsen of te laten staan:

  5. op een langs enige bebouwing gelegen voetpad- of trottoir gedeelte;

  6. tegen gevels, beelden, monumenten, lantaarnpalen en overige straat- en verkeersmeubilair, afrasteringen, bomen of hekken.

Artikel 2:48

Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:49

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of deze woonwagen bevindende persoon, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw of woonwagen bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:50

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond dan wel diegene die een hond onder zijn hoede heeft verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een openbare plaats zonder dat die hond zowel in bedwang als aangelijnd is;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, sportcomplex, groenvoorzieningen of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    3. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen;

  2. Het college wijst de gebieden aan waar het los laten lopen van honden is toegestaan.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van de onder lid 1, sub a en b, opgenomen verboden.

  4. Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing

Artikel 2:51

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, en niet in staat is om de uitwerpselen te verwijderen.

  3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:52

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:50, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  5. Het is de eigenaar of houder van een hond als bedoeld in het eerste lid verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen binnen een gebied als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid.

Artikel 2:53

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is de eigenaar of houder van een dier verboden dit dier te houden op een voor de omgeving hinderlijke of voor de openbare gezondheid schadelijke wijze, dan wel waar deze bij ontsnapping gevaar kan veroorzaken.

  2. Het college is bevoegd aanwijzingen te geven ten aanzien van het houden van dieren ter voorkoming of opheffing van de hinder, de schade of het gevaar, als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:53A

Voeren van dieren

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water in het wild levende dieren te voeren.

  2. Dit verbod geldt niet voor:

  3. personen die dieren voeren of bijvoeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

  4. personen die de sportvisserij beoefenen en in het bezit zijn van een daartoe bestemde en geldige VISpas;

  5. personen die over een ontheffing van het college beschikken om dieren (bij) te voeden in bijzondere omstandigheden;

  6. door het college nader aan te wijzen locaties die geschikt worden bevonden voor het recreatief voederen van dieren.

Artikel 2:54

Loslopend vee

De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:55

Duiven

  1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:56

Bijen <dit artiikel treedt op 1 april 2024 in werking>

  1. Het is verboden:

    1. bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    2. bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van de weg;

    3. op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen bijen te houden of bijen te houden anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels.

  2. Het in het eerste lid, aanhef en onder a en b, gestelde verbod geldt niet indien:

    1. op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een gesloten afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen; en

    2. maximaal vijf bijenvolken per perceel verdeeld over maximaal vijf bijenkasten per perceel worden gehouden als dat perceel is gelegen in een woongebied, ongeacht of deze bijenkasten door één of meer bijenhouders gebruikt worden.

  3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  7. Artikel 2:53 is onverkort van toepassing op het houden van bijen.

Artikel 2:57

Gebiedsontzegging

  1. In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan de burgemeester of een daartoe aangewezen politieambtenaar of buitengewoon opsporingsambtenaar aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod geven om zich gedurende een in het verbod bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in een of meer bepaalde, door het college aangewezen delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  3. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:58

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:59

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. verkoopregister:

  3. het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:60

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen 3 dagen schriftelijk of digitaal in kennis te stellen.

  2. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  3. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1, bedoelde adressen;

  4. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  5. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  6. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;

  7. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

  8. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen dat het onder zijn berusting is, in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:61

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht in het Digitaal Opkopersregister (DOR) aantekening te houden van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt.

  2. In het verkoopregister vermeldt de handelaar onverwijld:

  3. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  4. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  5. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen de soort, het merk, het uniek serienummer of ander herleidbaar uniek kenmerk van het goed;

  6. een duidelijke kleurenfoto van een goed dat geen of een onleesbaar uniek serienummer, of een ander herleidbaar uniek kenmerk, bezit;

  7. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor de overdracht of verkoop van het goed;

  8. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen;

  9. zowel een omschrijving als het nummer van het document, als bedoeld in het eerste lid van de Wet op de identificatieplicht, waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld.

Artikel 2:62

Handel in horeca

  1. Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.

  3. In dit artikel wordt verstaan onder:

  4. inrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 2:27, lid 1, onder a;

  5. houder: de houder als bedoeld in artikel 2:27, lid 1, onder b.

Artikel 2:63

Definitie

Onder kermisinrichtingen worden verstaan: draaimolens, schommels, kramen of andere dergelijke inrichtingen voor vermaak, terwijl daaronder mede zijn begrepen kisten, manden of kramen en dergelijke voor de verkoop van geringe hoeveelheden eetwaren, rookartikelen, speelgoed of feestartikelen.

Artikel 2:64

Verbod openstelling

  1. Het is de eigenaar of houder van een kermisinrichting of zijn plaatsvervanger verboden deze zonder vergunning van de burgemeester voor het publiek open te stellen of opengesteld te hebben of daarin bezoekers toe te laten, te ontvangen of te hebben.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht met vergunning van de burgemeester te handelen, hij die bij gelegenheid van de kermissen, bij verpachting door of vanwege het college, op de door hen aan te wijzen kermisterreinen is toegelaten.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:65

Verbod inname van niet aangewezen plaats

Het is verboden op terreinen, voor het houden van kermissen bestemd, met een kermisinrichting een plaats in te nemen, die niet door of vanwege het college is aangewezen, dan wel een plaats te blijven innemen, nadat de ontruiming daarvan door of vanwege het college is gelast.

Artikel 2:66

Sluiting

De eigenaar of houder van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting of zijn plaatsvervanger, is bij het ontstaan van ongeregeldheden of ter voorkoming van gevaar voor bezoekers in zijn inrichting, verplicht op bevel van de politie terstond te sluiten en gesloten te houden, zolang de burgemeester zulks nodig acht.

Artikel 2:67

Bevelen politie

  1. Iedere bezoeker van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting is verplicht deze op bevel van de politie terstond te verlaten, indien de kermisinrichting zonder vergunning van de burgemeester is opengesteld of de vrije toegang tot de inrichting door de politie, de brandweer of de door het college aan te wijzen ambtenaren van bouw- en woningtoezicht of van het marktwezen is geweigerd, of door de politie het bevel tot sluiting als bedoeld in artikel 2:66 gegeven is.

  2. Degene, die in een voor het publiek opengestelde kermisinrichting de orde verstoort of de eerbaarheid schendt, is verplicht de inrichting op bevel van de politie terstond te verlaten.

Artikel 2:68

Veiligheidsrisicogebied

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:69

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:70

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

  4. geluid- of geurhinder;

  5. hinder van dieren;

  6. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

  7. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

  8. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:71

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder

  • consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  • carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

Artikel 2:71a

Gebruik van consumentenvuurwerk

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:71b

Carbidschieten

  1. Carbidschieten is zowel binnen als buiten de bebouwde kom verboden.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan bij het verlenen van ontheffing nadere voorwaarden stellen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:71c

Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:71 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:71b.

  2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie een ontheffing als bedoeld in artikel 2:71b lid 2 is verleend.

  3. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Heerlen 2021