1. Het is de eigenaar of houder van een kermisinrichting of zijn plaatsvervanger verboden deze zonder vergunning van de burgemeester voor het publiek open te stellen of opengesteld te hebben of daarin bezoekers toe te laten, te ontvangen of te hebben.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht met vergunning van de burgemeester te handelen, hij die bij gelegenheid van de kermissen, bij verpachting door of vanwege het college, op de door hen aan te wijzen kermisterreinen is toegelaten.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.