1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of -restaurant.

  3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  4. Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.

  5. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer(s) van de openbare inrichting en is niet overdraagbaar.

  6. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  7. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  8. Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  9. Een leidinggevende voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Alcoholwet.

  10. In afwijking van het negende lid, voor wat betreft de daarin bedoelde leeftijdseis, dient de leidinggevende van een openbare inrichting, niet zijnde een coffeeshop, de leeftijd van achttien jaar bereikt te hebben.

  11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, als:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. de leidinggevende niet meer voldoet aan de gestelde eisen als bedoeld in het negende en tiende lid;

    3. de vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste drie maal om bijschrijving van een persoon op de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die bijschrijving ten minste driemaal heeft geweigerd.

  12. De vergunning als bedoeld in het eerste lid vervalt van rechtswege als deze:

    1. sinds haar verlening onherroepelijk is geworden zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    3. een nieuwe vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoel-de vergunning van kracht is geworden.

  13. De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld:

    1. ter bescherming van de volksgezondheid, of

    2. in het belang van de openbare orde, of

    3. ter bevordering van de naleving van artikel 20 en 45a van de Alcoholwet.

  14. Het college kan nadere regels stellen voor de exploitatie van een openbare inrichting.

  15. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.