Behalve op grond van artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:

  1. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan welke moet worden aangemerkt als een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving;

  2. de vergunninghouder niet langer voldoet aan de in artikel 2:28f gestelde eisen;

  3. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar op zou leveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; of

  4. de leidinggevende niet voldoet aan artikel 2:28g.