1. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2:28f; of

    3. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  2. De burgemeester kan een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2:28d, onder d, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar weigeren.