1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 centimeter dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

    2. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de bebouwingscontour houtkap 2018;

    3. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    4. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    5. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

    6. noodkap: het vellen van een houtopstand dat noodzakelijk is op grond van de Plantenziektewet of in verband met het beperken van acuut gevaar voor de veiligheid van personen of goederen, of in daarmee vergelijkbare gevallen.

  2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstanden ten gevolge kunnen hebben.