1. Het is verboden een vaartuig:

    1. op het strand te hebben;

    2. op het strand te brengen;

    3. zich daarmee van het strand af in zee te begeven; of

    4. zich daarmee in zee binnen 1000 meter van de kustlijn te begeven of te varen.

  2. Onder het in dit artikel bedoelde vaartuig zijn niet begrepen opblaasboten en kano's, mits aan deze vaartuigen geen motor kan worden bevestigd.

  3. Voor zover het in dit artikel bedoelde vaartuig een snelle motorboot als bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement is, dient dit te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 8.01 tot en met 8.05 van het Binnenvaartpolitiereglement, met uitzondering van vaartuigen behorende tot of voor hulpverlening in gebruik van de hulpverleningsdiensten en Vrijwillige Bloemendaalse Reddingsbrigade.

  4. Het college kan personen en instellingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt.

  5. Het college kan delen van het strand aanwijzen, waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid voor bepaalde vaartuigen met ontheffing van het college is toegestaan.

  6. Een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid kan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde en veiligheid;

    2. het beperken en voorkomen van overlast;

    3. het uiterlijk aanzien van het strand; of

    4. de veiligheid van personen en goederen.