1. Aan de vergunning als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, verbindt het bevoegd gezag het standaardvoorschrift, dat van de vergunning feitelijk geen gebruik wordt gemaakt:

    1. binnen 4 weken na bekendmaking van het besluit, tenzij toepassing is gegeven aan artikel 16.79, vijfde lid, van de Omgevingswet;

    2. in het geval van verplanten van houtopstanden: buiten het verplantseizoen, jaarlijks van 15 maart tot en met 15 november.

  2. Het bevoegd gezag kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder a en b genoemde voorschrift.