Wet milieubeheer Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
§ 1.2 De provinciale milieuverordening
Hoofdstuk 2 Zelfstandige bestuursorganen, bevoegde autoriteiten en adviesorganen
Hoofdstuk 3 Internationale zaken
Hoofdstuk 4 Plannen
§ 4.2 Het nationale milieubeleidsplan
§ 4.3 Het nationale milieuprogramma
§ 4.4 Het provinciale milieubeleidsplan
§ 4.5 Het provinciale milieuprogramma
§ 4.5a Het regionale milieubeleidsplan
§ 4.5b Het regionale milieuprogramma
§ 4.6 Het gemeentelijke milieubeleidsplan
§ 4.7 Het gemeentelijke milieuprogramma
§ 4.8 Het gemeentelijke rioleringsplan
Hoofdstuk 5 Milieukwaliteitseisen
Titel 5.1 Algemene bepalingen ten aanzien van milieukwaliteitseisen
Hoofdstuk 6 Milieuzonering
Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is
§ 7.3 Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
§ 7.4 De voorbereiding van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
§ 7.6 Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt
§ 7.7 Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
§ 7.8 De beperkte voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
§ 7.9 De uitgebreide voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
§ 7.10 Het besluit
§ 7.11 Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Hoofdstuk 8 Milieubelastende activiteiten, gesloten stortplaatsen en gesloten afvalvoorzieningen
Paragraaf 8.1
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.2a
- Artikel 8.2b
- Artikel 8.3
- Artikel 8.4
- Artikel 8.5
- Artikel 8.6
- Artikel 8.7
- Artikel 8.8
- Artikel 8.9
- Artikel 8.10
- Artikel 8.11
- Artikel 8.12
- Artikel 8.12a
- Artikel 8.12b
- Artikel 8.13
- Artikel 8.13a
- Artikel 8.14
- Artikel 8.15
- Artikel 8.16
- Artikel 8.17
- Artikel 8.18
- Artikel 8.19
- Artikel 8.20
- Artikel 8.21
- Artikel 8.22
- Artikel 8.23
- Artikel 8.24
- Artikel 8.25
- Artikel 8.26
- Artikel 8.26a
- Artikel 8.27
- Artikel 8.28
- Artikel 8.29
- Artikel 8.30
- Artikel 8.31
- Artikel 8.31a
- Artikel 8.32
- Artikel 8.33
- Artikel 8.34
- Artikel 8.35
- Artikel 8.36
- Artikel 8.36a
- Artikel 8.36b
- Artikel 8.36c
- Artikel 8.36d
- Artikel 8.36e
- Artikel 8.37
- Artikel 8.38
- Artikel 8.39
- Artikel 8.39a
- Artikel 8.39b
- Artikel 8.39c
- Artikel 8.39d
- Artikel 8.39e
- Artikel 8.39f
- Artikel 8.40
- Artikel 8.40a
- Artikel 8.41
- Artikel 8.41a
- Artikel 8.42
- Artikel 8.42a
- Artikel 8.42b
- Artikel 8.43
- Artikel 8.44
- Artikel 8.45
- Artikel 8.46
Hoofdstuk 9 Stoffen en produkten
Titel 9.1 Algemeen
Titel 9.2 Stoffen, mengsels en genetisch gemodificeerde organismen
§ 9.2.2 Maatregelen
Paragraaf 9.2.3 Verpakking en aanduiding
Titel 9.3 De EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen
Titel 9.3a De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
Titel 9.4 De EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten
Titel 9.5 Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Titel 9.6 De bijdrage van de vervoerssector aan milieu-, klimaat- en energiebeleid
Titel 9.7 Hernieuwbare energie vervoer
Hoofdstuk 10 Afvalstoffen
Titel 10.2 Het circulair materialenplan
Titel 10.3 Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 10.4 Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Titel 10.5 Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Titel 10.6 Het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 10.6.1 De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 10.6.2 Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 10.6.3 De inzameling van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 10.6.4 Verdere bepalingen omtrent het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Titel 10.7 Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Titel 10.8 Verdere bepalingen
Hoofdstuk 11 Geluid
Titel 11.1 Algemeen
Titel 11.2 Geluidsbelastingkaarten en actieplannen
Titel 11.3 Wegen en spoorwegen met geluidproductieplafonds
Afdeling 11.3.2 Naleving en registratie van geluidproductieplafonds
§ 11.3.2.1 Naleving van de geluidproductieplafonds
§ 11.3.2.2 Het geluidregister
Afdeling 11.3.3 Vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds
§ 11.3.3.2 Procedures voor vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds
§ 11.3.3.3 De binnenwaarde
§ 11.3.3.4 Verdere bepalingen omtrent vaststelling en wijziging van geluidproductieplafonds
Afdeling 11.3.4 Geluidproductieplafonds voor op 1 juli 2012 bestaande of geprojecteerde wegen en spoorwegen
§ 11.3.4.1 Het tot stand komen van de geluidproductieplafonds
§ 11.3.4.2 Bijzondere bepalingen met betrekking tot het wijzigen van geluidproductieplafonds die tot stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45
Afdeling 11.3.5 Overschrijding van de maximale waarde
Afdeling 11.3.6 Sanering
Afdeling 11.3.7 Overige bepalingen
Hoofdstuk 11a Andere handelingen
Titel 11a.1 Kwaliteit van werkzaamheden en integriteit van degenen die deze werkzaamheden uitvoeren
Hoofdstuk 12 Verslag-, registratie- en meetverplichtingen
Titel 12.1 Registers beschermde gebieden
Titel 12.2 Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen
Titel 12.3 De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol
Titel 12.4 Registratie gegevens brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer
Hoofdstuk 13 Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Afdeling 13.1 Algemeen
Afdeling 13.2 Bijzondere bepalingen
Afdeling 13.3 Winningsafvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Hoofdstuk 14 Coördinatie
Hoofdstuk 15 Financiële bepalingen
Titel 15.2 Verbruiksbelastingen van brandstoffen
Titel 15.3 Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies
Titel 15.4 Vergoeding van kosten en schade
Titel 15.5 Fonds Luchtverontreiniging
Titel 15.6 Regulerende verbruiksbelastingen
Titel 15.7 Keuringen
Titel 15.8 Statiegeld, retourpremies
Titel 15.9 Heffingen op gemeentelijk en provinciaal niveau
Titel 15.9A Rechten
Titel 15.10 Afvalbeheerbijdragen
Titel 15.11 Financiering van de zorg voor gesloten stortplaatsen
Titel 15.12 Financiële tegemoetkomingen
Titel 15.13 Kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw
Hoofdstuk 16 Handel in emissierechten
Titel 16.1 Algemeen
Titel 16.2 Broeikasgassen en broeikasgasemissierechten
Afdeling 16.2.1 Broeikasgasinstallaties
Paragraaf 16.2.1.1 Algemeen
Paragraaf 16.2.1.2 Vergunning
- Artikel 16.5
- Artikel 16.6
- Artikel 16.7
- Artikel 16.8
- Artikel 16.9
- Artikel 16.10
- Artikel 16.11
- Artikel 16.11a
- Artikel 16.12
- Artikel 16.13
- Artikel 16.13a
- Artikel 16.14
- Artikel 16.15
- Artikel 16.16
- Artikel 16.17
- Artikel 16.18
- Artikel 16.19
- Artikel 16.20
- Artikel 16.20a
- Artikel 16.20b
- Artikel 16.20c
- Artikel 16.21
- Artikel 16.22
Paragraaf 16.2.1.3 Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Subparagraaf 16.2.1.3.1 Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten
Subparagraaf 16.2.1.3.2 Wijziging van toewijzingsbesluiten
Subparagraaf 16.2.1.3.3 Het verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.1.4 De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Afdeling 16.2.2 Luchtvaartactiviteiten en maritiem vervoer
Paragraaf 16.2.2.2 Monitoring en verslaglegging
Paragraaf 16.2.2.3 Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2.3a Compensatievereisten CORSIA eenheden
Paragraaf 16.2.2.4 De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Afdeling 16.2.2A Levering van brandstoffen aan de gebouwensector, de wegvervoerssector en overige sectoren
Paragraaf 16.2.2a.2 Vergunning
Paragraaf 16.2.2a.3 Monitoring van emissies
Paragraaf 16.2.2a.4 Het veilen, verlenen en inleveren van broeikasgasemissierechten
Afdeling 16.2.3 De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Afdeling 16.2.4 Registratie van broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Afdeling 16.2.5 Instemming met deelname aan projectactiviteiten
Titel 16.3 Stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.2 Vergunning
Afdeling 16.3.3 Het ontstaan van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.4 De inlevering van NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.5 De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.6 Registratie van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.7 Overige bepalingen
Hoofdstuk 16a De emissie van broeikasgas bij elektriciteitsopwekking
Hoofdstuk 16b Emissie van broeikasgas door de industrie
Titel 16b.1 Algemeen
Titel 16b.2 Industriële jaarvracht
Afdeling 16b.2.1 Industrieel emissieverslag
Afdeling 16b.2.2 Industrieel monitoringsplan
Titel 16b.3 De dispensatierechten
Afdeling 16b.3.1 Het register dispensatierechten industrie
Afdeling 16b.3.2 Het ontstaan van dispensatierechten
Afdeling 16b.3.3 Overdracht van dispensatierechten
Hoofdstuk 16c Mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens
Titel 16c.1 Overgangsperiode
Titel 16c.2 Nadere operationalisering
Titel 16c.3 Verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten
Hoofdstuk 17 Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 17.1 Maatregelen bij een ongewoon voorval
Titel 17.1A Maatregelen betreffende winningsafvalvoorzieningen
Titel 17.1B Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.2 Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan
Titel 17.3 Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen
Hoofdstuk 18 Handhaving
- Artikel 18.1
- Artikel 18.1a
- Artikel 18.1b
- Artikel 18.2
- Artikel 18.2a
- Artikel 18.2b
- Artikel 18.2c
- Artikel 18.2d
- Artikel 18.2e
- Artikel 18.2f
- Artikel 18.2g
- Artikel 18.2h
- Artikel 18.2i
- Artikel 18.2j
- Artikel 18.3
- Artikel 18.3a
- Artikel 18.3b
- Artikel 18.3c
- Artikel 18.3d
- Artikel 18.3e
- Artikel 18.3f
- Artikel 18.4
- Artikel 18.5
- Artikel 18.5a
- Artikel 18.5b
- Artikel 18.5c
- Artikel 18.5d
- Artikel 18.6
- Artikel 18.6a
- Artikel 18.6b
- Artikel 18.6c
- Artikel 18.6d
- Artikel 18.7
- Artikel 18.7a
- Artikel 18.8
- Artikel 18.8a
- Artikel 18.8b
- Artikel 18.9
- Artikel 18.10
- Artikel 18.11
- Artikel 18.12
- Artikel 18.13
- Artikel 18.14
- Artikel 18.14a
- Artikel 18.15
- Artikel 18.16
- Artikel 18.16a
- Artikel 18.16b
- Artikel 18.16c
- Artikel 18.16d
- Artikel 18.16e
- Artikel 18.16f
- Artikel 18.16g
- Artikel 18.16h
- Artikel 18.16i
- Artikel 18.16j
- Artikel 18.16k
- Artikel 18.16l
- Artikel 18.16m
- Artikel 18.16n
- Artikel 18.16o
- Artikel 18.16p
- Artikel 18.16q
- Artikel 18.16r
- Artikel 18.16s
- Artikel 18.16t
- Artikel 18.17
- Artikel 18.18
- Artikel 18.19
- Artikel 18.20
- Artikel 18.21
- Artikel 18.22
Hoofdstuk 19 Openbaarheid van milieu-informatie
Hoofdstuk 20 Inwerkingtreding en rechtsbescherming
Hoofdstuk 21 Verdere bepalingen
Hoofdstuk 22 Slotbepalingen
Bijlage 1 bij de Wet milieubeheer
Bijlage 2 bij de Wet milieubeheer
Hoofdstuk 15
Artikel 15.2
Artikel 15.3
Artikel 15.4
Artikel 15.5
Artikel 15.6
Artikel 15.7
Artikel 15.8
Artikel 15.9
Artikel 15.10
Artikel 15.11
Artikel 15.12
Artikel 15.13
Artikel 15.14
Artikel 15.15
Artikel 15.16
Artikel 15.17
Artikel 15.18
Artikel 15.19
Artikel 15.20
-
Indien degene tot wie een beschikking is gericht krachtens:
artikel 9.2.2.1, eerste lid, juncto artikel 9.2.2.3, zevende lid,
artikel 10.48 juncto één of meer der onder a genoemde bepalingen,
zich ten gevolge daarvan voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent het gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven, hem, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die tengevolge van een maatregel als bedoeld in artikel 17.19 zich voor kosten ziet gesteld dan wel daardoor schade lijdt, als in het eerste lid bedoeld.
-
Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid op aanvraag wordt gegeven, kan een verzoek om vergoeding worden ingediend na de toezending van een exemplaar van het ontwerp van die beschikking aan de aanvrager.
-
Indien het in het eerste lid bedoelde gezag een advies van deskundigen heeft ingewonnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging zendt het een exemplaar van het advies aan de belanghebbende. Het vermeldt daarbij de termijn waarbinnen de belanghebbende zijn opvattingen omtrent het advies kenbaar kan maken.
-
Een beschikking op een verzoek om schadevergoeding wordt zo spoedig mogelijk gegeven, doch uiterlijk vier maanden na de datum waarop het verzoek is ontvangen, of, in gevallen als bedoeld in het vierde lid, uiterlijk zeven maanden na die datum.
-
Het in het eerste lid bedoelde gezag kan de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal voor ten hoogste twee maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 15.21
-
Artikel 15.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene op wie bepalingen van een algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk een ministeriële regeling of een verordening als bedoeld in
de artikelen 9.2.2.1 en 9.2.2.6,
artikel 9.5.2, eerste lid,
de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming,
van toepassing worden en die zich daardoor voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven.
-
In gevallen als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister over het toekennen van de vergoeding.
Artikel 15.22
Voor zover de toekenning van de vergoeding niet is geschied met instemming van Onze Minister, komen de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag.
Artikel 15.23
-
Bij koninklijk besluit kan, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, worden bepaald dat de kosten van een toegekende vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk komen.
-
Artikel 20 van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.24
Artikel 15.25
Artikel 15.26
Artikel 15.27
Artikel 15.28
Artikel 15.29
Artikel 15.30
Artikel 15.31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van vergoedingen voor keuringen als bedoeld in
artikel 9.2.2.4;
artikel 9.5.1, derde lid, onder e en f.
Artikel 15.32
-
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels worden gesteld,
inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, voor zodanige verpakkingen een bij of krachtens de maatregel te bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige verpakkingen na gebruik met terugbetaling van het statiegeld in te nemen;
inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die daarbij aangewezen stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen, voor zodanige stoffen, mengsels of produkten een bij of krachtens de maatregel te bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige stoffen, mengsels of produkten na gebruik met terugbetaling van het statiegeld in te nemen.
-
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels worden gesteld,
inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, zodanige verpakkingen na gebruik tegen betaling van een bij of krachtens de maatregel te bepalen premie in te nemen;
inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die daarbij aangewezen stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen, deze na gebruik tegen betaling van een bij of krachtens de maatregel te bepalen premie in te nemen.
-
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, kan worden bepaald dat daarbij aangegeven handelingen door andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde, bij die maatregel aangewezen categorieën van personen moeten worden verricht. In deze gevallen kan tevens worden bepaald dat eveneens bij de maatregel aangewezen categorieën van personen het statiegeld, bedoeld in het eerste lid, of de premie, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk op een daarbij aangegeven wijze dienen af te dragen aan een of meer daarbij aangewezen andere personen.
-
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, wordt een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan die regels ten aanzien van stoffen, mengsels of produkten die bij het in werking treden van de maatregel reeds vervaardigd en in Nederland aanwezig waren, gaan gelden.
Artikel 15.33
-
De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
-
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:
gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.
-
Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
-
Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219 en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.34
Artikel 15.34a
Met betrekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens deze wet worden geen rechten geheven.
Artikel 15.35
Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afvalbeheerbijdrage: bijdrage in de kosten van het beheer van een afvalstof;
overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage: schriftelijke overeenkomst tussen degenen die een stof, mengsels of product in Nederland invoeren of op de markt brengen, tot het afdragen van een afvalbeheerbijdrage.
Artikel 15.36
-
Onze Minister kan, indien dat in het belang is van een doelmatig beheer van afvalstoffen en in overeenstemming is met artikel 8bis van de kaderrichtlijn afvalstoffen, op een met redenen omkleed verzoek een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend verklaren voor een ieder die die stof, dat mengsels of dat produkt in Nederland invoert of op de markt brengt.
-
Onze Minister stelt regels met betrekking tot de onderwerpen die in ieder geval in een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage, waarvoor een algemeen verbindend verklaring wordt gevraagd, aan de orde dienen te komen, alsmede met betrekking tot de bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid over te leggen gegevens. Tot die gegevens behoren in ieder geval gegevens, waaruit duidelijk wordt dat redelijkerwijs is getracht te voorkomen, dat gebruikers van die stof, dat mengsels of dat produkt in de praktijk meer dan eenmaal een bijdrage voor het beheer daarvan verschuldigd zullen zijn.
-
Artikel 9.5.2, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de regels, bedoeld in dat lid, tevens kunnen worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die is opgelegd middels een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst.
Artikel 15.37
-
Een verzoek als bedoeld in artikel 15.36 kan slechts worden ingediend door degenen die, onderscheidenlijk organisaties van degenen die wat betreft de gezamenlijke omzet van de betrokken stoffen, mengsels of produkten een naar het oordeel van Onze Minister belangrijke meerderheid vormen van degenen die deze stoffen, mengsels of produkten in Nederland invoeren of op de markt brengen. Onze Minister betrekt bij zijn oordeel met betrekking tot de vraag of degenen die, onderscheidenlijk de organisaties van degenen die het verzoek hebben ingediend, een belangrijke meerderheid vormen, in ieder geval het aantal van hen in verhouding met het totale aantal van degenen die deze stoffen, mengsels of produkten in Nederland invoeren of op de markt brengen.
-
Op de voorbereiding van een besluit op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
-
Indien een besluit niet kan worden genomen dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting, wordt de termijn voor het nemen van dat besluit opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond. Van de opschorting wordt mededeling gedaan aan de verzoeker.
-
Indien bij het besluit een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend wordt verklaard, wordt van de overeenkomst in de Staatscourant mededeling gedaan.
Artikel 15.38
-
Onze Minister kan van een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen, indien de verzoeker zorg draagt voor een zodanig beheer van de betrokken afvalstoffen dat deze naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan het beheer overeenkomstig de betrokken algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage.
-
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
-
Een krachtens het eerste lid verleende ontheffing kan ambtshalve of op een daartoe strekkend verzoek worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 15.39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het in onderdeel b van dat lid genoemde belang in de plaats treedt: het niet langer voldoen aan het in het eerste lid van dit artikel genoemde vereiste.
-
Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste en derde lid, is artikel 15.37, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Onze Minister stelt de houder van de ontheffing, behoudens in gevallen waarin deze om wijziging of intrekking verzoekt, van zijn voornemen tot wijziging of intrekking in kennis, alvorens een besluit te nemen.
-
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de gegevens die een verzoeker bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid dient te overleggen.
Artikel 15.39
-
Een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, geldt voor een daarbij aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.
-
Onze Minister kan een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, intrekken, indien:
de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het nemen van het besluit, moet worden aangenomen dat het van kracht blijven van het besluit het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen op onaanvaardbare wijze zou schaden;
een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel regels ter uitvoering daarvan, hiertoe verplichten.
-
Alvorens een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, op grond van het tweede lid, onder a, in te trekken, stelt Onze Minister degenen die het verzoek tot algemeen verbindend verklaring hebben gedaan, in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
-
Op de voorbereiding van een besluit tot intrekking van een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, op grond van het tweede lid, onder b of c, is artikel 15.37, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.40
Een ieder is tot naleving van een voor hem geldende algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage gehouden tegenover ieder ander, die bij de naleving een redelijk belang heeft.
Artikel 15.41
Indien een of meer van degenen die een stof, mengsels of product in Nederland invoeren of op de markt brengen, waarvoor een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend is verklaard, het vermoeden gegrond achten dat door een of meer anderen een of meer van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit die overeenkomst niet worden nageleefd, kunnen zij met het oog op het instellen van een rechtsvordering op grond van artikel 15.40 Onze Minister verzoeken een onderzoek daarnaar te doen instellen. De inspecteur stelt het onderzoek in en brengt aan Onze Minister verslag uit van hetgeen bij het onderzoek is gebleken. Onze Minister stelt het verslag ter beschikking van degene of degenen, die om het onderzoek hebben gevraagd.
Artikel 15.42
In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in paragraaf 8.2.
Artikel 15.43
Deze titel is niet van toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 15.44
-
Provinciale staten stellen een heffing in ter bestrijding van de kosten die gemoeid zullen zijn met:
de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor de in de betrokken provincie gelegen stortplaatsen;
een voor de betrokken provincie geldende verplichting tot afdracht aan een fonds als bedoeld in artikel 15.48;
de door de provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 september 1996 is beëindigd, en het onderzoek naar en systematische controle van aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar.
-
De in het eerste lid bedoelde heffing kan mede betrekking hebben op de kosten die gemoeid zullen zijn met de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Met betrekking tot de heffing en invordering zijn de artikelen 227 tot en met 232h van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.45
-
De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.
-
Het bedrag van de heffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid, bedoelde nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, of, indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid, bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering gebracht.
-
In afwijking van het tweede lid kan de heffing terzake van de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in de betrokken provincie worden vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die op de stortplaats zijn afgegeven. Het bedrag wordt zodanig vastgesteld dat uit het totaal van de opbrengsten van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten voor de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in die provincie de kosten kunnen worden bestreden die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de zorg voor die stortplaatsen. De kosten, bedoeld in de tweede volzin, worden berekend met inachtneming van de voor die stortplaatsen geldende nazorgplannen waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd.
-
Het derde lid is niet van toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort.
Artikel 15.46
-
Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat degenen die een stortplaats drijven, waarop artikel 15.45, derde lid, niet van toepassing is, financiële zekerheid stellen voor het nakomen van de krachtens de artikelen 15.44, eerste lid, onder a, en 15.45 voor hen geldende verplichting. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor de zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden.
-
De verplichting financiële zekerheid in stand te houden vervalt op het tijdstip waarop een bedrag aan heffing, als bedoeld in artikel 15.45, tweede lid, is betaald, voor zover het betreft het gedeelte dat overeenkomt met het bedrag dat is betaald.
-
Gedeputeerde staten kunnen verhaal nemen op de gestelde zekerheid, voor zover degene die de zekerheid heeft gesteld, het bedrag van de heffing, zoals dat is vastgesteld ingevolge artikel 15.45, tweede lid, niet tijdig heeft betaald.
-
Gedeputeerde staten kunnen het ingevolge het derde lid te verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld.
Artikel 15.47
-
Gedeputeerde staten van een provincie richten voor hun provincie een fonds op, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.
-
In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten van verschillende provincies gezamenlijk voor hun provincies een fonds als bedoeld in het eerste lid oprichten.
-
Een fonds is rechtspersoon.
-
Gedeputeerde staten van de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies zijn belast met het beheer van het in hun provincie, onderscheidenlijk provincies werkzame fonds.
-
Een fonds ontvangt jaarlijks:
de opbrengst van de in artikel 15.44 bedoelde heffing, verminderd met het bedrag ter bestrijding van de kosten in verband met de in artikel 15.44, eerste lid, onder c, bedoelde handelingen en met het gedeelte van de heffingen, bedoeld in artikel 15.48, tweede lid;
de bedragen die ingevolge artikel 15.46, derde lid, worden verhaald;
rentebaten en beleggingsopbrengsten die via het fonds zijn verkregen;
het batig saldo van de laatstelijk afgesloten rekening van het fonds.
-
Een fonds is gerechtigd ook andere bedragen, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg, dan die, bedoeld in het vijfde lid, in ontvangst te nemen.
-
Uit het fonds worden uitsluitend bestreden de kosten die:
worden gemaakt in verband met de uitvoering van de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot gesloten stortplaatsen in de betrokken provincie of provincies;
zijn verbonden aan de werkzaamheden van het fonds dat in de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies werkzaam is;
worden gemaakt ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, doch slechts voor zover de in artikel 15.44 bedoelde heffing mede op deze kosten betrekking heeft.
-
Onder de kosten, bedoeld in het zevende lid, worden niet begrepen de kosten die in verband met de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen door de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies worden gemaakt ten behoeve van haar bestuurlijk apparaat.
Artikel 15.48
-
Gedeputeerde staten van provincies kunnen gezamenlijk een fonds oprichten ter dekking van grote financiële risico's in verband met de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.
-
Het in het eerste lid bedoelde fonds ontvangt jaarlijks van die provincies een door het bestuur van dat fonds te bepalen gedeelte van de aan die provincies afgedragen heffingen als bedoeld in artikel 15.45.
-
Van artikel 15.47 zijn het derde en vierde lid, alsmede het achtste lid, in verbinding met het zevende lid, onder b, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.49
-
Ter zake van door een stortplaats veroorzaakte schade, die bekend is geworden na het tijdstip waarop een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, met betrekking tot die stortplaats is afgegeven, doet noch een provincie, noch het in deze titel bedoelde fonds een beroep op de aansprakelijkheid van degene die als laatste de stortplaats heeft gedreven op grond van artikel 176, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Indien degene die als laatste een stortplaats heeft gedreven, waarvoor een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, is afgegeven, aansprakelijk is voor de door die stortplaats veroorzaakte schade op grond van artikel 176, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, kan degene jegens wie deze aansprakelijkheid bestaat, zijn recht op schadevergoeding geldend maken tegen het in deze titel bedoelde fonds dat in de betrokken provincie werkzaam is.
Artikel 15.50
-
Onze Minister kan uitkeringen verlenen aan personen bij wie ten gevolge van blootstelling aan asbest maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld en die niet in aanmerking kunnen komen voor een daarmee verband houdende uitkering op grond van de Kaderwet SZW-subsidies.
-
Onze Minister stelt nadere regels ter uitvoering van het eerste lid.