1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie wijzigt het elektriciteitsmonitoringsplan zo spoedig mogelijk, indien:

    1. de regels gesteld bij of krachtens hoofdstuk 16a daartoe aanleiding geven;

    2. het bestuur van de emissieautoriteit daarom verzoekt.

  2. De exploitant van een broeikasgasinstallatie legt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit de meest actuele versie van het elektriciteitsmonitoringsplan over.