1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de hoofdstukken 16, 16a, 16b en 16c, titels 16c.1 en 16c.2, bepaalde, alsmede de naleving van de in artikel 18.5 genoemde bepalingen van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, de naleving van de in artikel 18.5a genoemde bepalingen van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, de naleving van de in artikel 18.5b genoemde bepalingen van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau, de naleving van de in artikel 18.5c genoemde bepalingen van de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van wereldwijde luchtvaartemissies, de naleving van de in artikel 18.5d genoemde bepalingen van de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en van de in artikel 18.6 genoemde bepalingen van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel de naleving van de in artikel 18.6c genoemde bepalingen van Verordening (EU) 2023/1805 en de in artikel 18.6d genoemde bepalingen van Verordening (EU) 2023/2405, zijn belast de bij besluit van Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaren.

  2. Met het onderzoek met betrekking tot overtredingen als bedoeld in artikelen 18.6c, tweede en derde lid, 18.6d, tweede, derde en vierde lid, en 18.16a, eerste en tweede lid, zijn belast de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren.

  3. Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.