Algemene Plaatselijke Verordening 2021 gemeente Súdwest-Fryslân BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 13-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1 Voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 2a Veiligheid op het ijs
Paragraaf Afdeling 3 Evenementen
Paragraaf Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10 Consumentenvuurwerk en carbid
Paragraaf Afdeling 11 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, Straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  3. equivalente geluidsniveau: het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, met dien verstande dat er geen bedrijfsduurcorrectie en geen muziektoeslag van 10 dB wordt toegepast;

  4. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Besluit;

  5. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Besluit;

  6. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  7. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  8. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  9. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;

  10. versterkte muziek: muziek die elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. In een aanwijzing kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  3. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Bij het ten gehore brengen van versterkte muziek binnen gebouwen op het inrichtingsterrein blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  6. Het is de houder van de inrichting tijdens een collectieve festiviteit niet toegestaan om in de periode tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de open lucht op een inrichtingsterrein versterkte muziek ten gehore te brengen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn.

  2. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  3. De houder van de inrichting die voornemens is om een incidentele festiviteit te houden is verplicht om ten minste twee weken voor de aanvang van de activiteit het college daarvan middels het in lid vier genoemde formulier in kennis te stellen.

  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer de kennisgeving, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd.

  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Bij het ten gehore brengen van versterkte muziek binnen gebouwen op het inrichtingsterrein blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  7. Het is de houder van de inrichting tijdens een incidentele festiviteit niet toegestaan om in de periode tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de open lucht op een inrichtingsterrein versterkte muziek ten gehore te brengen.

Artikel 4:6

Overige geluidshinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Fryslân.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

[vervallen]

Artikel 4:9a

Verbod ballonnen op te laten

  1. Het is verboden ballonnen op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, sfeerballon, papierballon, geluksballon, gelukslampion, vuurballon, Thaise wensballon dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur, helium of andere gassen opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

Artikel 4:10

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

  2. boom: een houtachtig, opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  3. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van groenclusters of belangrijke boomstructuren;

  4. groencluster: begrensd gebied met aaneengesloten houtopstanden die tezamen een functioneel geheel vormen;

  5. boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden dat een functioneel geheel vormt;

  6. bomenregister: lijst van beschermingswaardige bomen die door het college wordt vastgesteld;

  7. bomenbeleidsplan: het beleidsplan voor bomen zoals het door de gemeenteraad is vastgesteld;

  8. vellen: kappen; rooien; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen: het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  10. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in de Omgevingswet;

  11. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden een houtopstand die onderdeel uitmaakt van een groencluster of ís opgenomen in het bomenregister, zoals vastgesteld in het bomenbeleidsplan, zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen veilen.

  2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet, in geval van plotselinge gevaarzetting of krachtens een aanschrijving op last van het bevoegd gezag;

    2. het periodiek vellen van hakhout en bosplantsoen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelabeerde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleend voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  5. De voorschriften kunnen ook betrekking hebben op een financiële compensatie als directe herplant niet mogelijk is.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  7. Van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van de houtopstand(en) mag pas gebruik worden gemaakt indien:

    1. binnen de daarvoor geldende termijn van de desbetreffende rechtsmiddelen geen gebruik is gemaakt of;

    2. in hoogste rechterlijke instantie is beslist of de omgevingsvergunning in stand blijft.

Artikel 4:12

Aanvraag

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Artikel 4:12a

Weigeringsgronden

  1. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren op één of meer van de volgende gronden:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

  2. Een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand opgenomen in het bomenregister kan, mits alternatieven voor behoud zijn onderzocht, worden verleend indien:

    1. een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand;

    2. naar boomdeskundìge maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is; of

    3. letsel of schade kan worden voorkomen.

Artikel 4:12b

Beperking geldigheidsduur

Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand een termijn verbinden waarbinnen van de verleende vergunning gebruik moet zijn gemaakt. Op verzoek van een vergunninghouder kan de termijn worden verlengd.

Artikel 4:12c

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreíders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. houtopstand(en) te vellen of te doen vellen;

    2. conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde houtopstand(en)of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Het bevoegd gezag kan van dit verbod een ontheffing verlenen.

  3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang.

  4. Het bevoegd gezag kan het bestrijden van boomziekten en plagen uitbesteden aan derden.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

[vervallen]

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke, gevaarlijke of ontsierende reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht, ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt aangetast.

  2. Het college kan met betrekking tot het eerste lid nadere regels stellen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op vormen van handelsreclame die passen binnen de beleidsregels die zijn vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan.

  4. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

  2. camperovernachtingsplaats: een door het college aangewezen locatie buiten kampeerterreinen waar campers/kampeerauto’s geplaatst kunnen worden ten behoeve van recreatief nachtverblijf, zijnde een ‘gereguleerde overnachtingsplaats (GOP)’.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein;

    2. het plaatsen van een tent behorende bij het aangelegde vaartuig op de openbaar toegankelijke aanlegplaatsen in beheer bij de Marrekrite en als zodanig bestemd in het bestemmingsplan;

    3. het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camperovernachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stads- of dorpsgezicht.

Artikel 4:18a

Slapen op openbare plaatsen

Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 2021 gemeente Súdwest-Fryslân