Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegde bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:15, tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften of nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, de vergunning intrekken.