1. In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of -veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid, kan door politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan:

    1. de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 14 dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd;

    2. de burgemeester aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a. is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd.

  3. De burgemeester beperkt het in het tweede lid onder a. en b. genoemde verbod of de daarin genoemde termijn als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a. en b.