Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden Alcoholwet
Afdeling Toezicht op de inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden burgemeester
Afdeling Toezicht op kamerverhuurinrichtingen
Afdeling Toezicht op ondernemersklimaat
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE, E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE VOORWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19A en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, mag tijdens collectieve festiviteiten niet meer bedragen dan 70 dB(A) en 85 dB(C) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.

  8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19A en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer – van zondagavond tot en met donderdagavond uiterlijk om 23.30 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 00.30 uur.

  9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19A en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer – uiterlijk om 23.00 uur beëindigd.

  10. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde en zevende lid genoemde geluidsnormen en van de in het achtste en negende lid bepaalde eindtijden.

  11. bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen het bebouwde gedeelte van inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarvan maximaal 6 maal (ook) in de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19A en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan.

  2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel kan de houder van de inrichting tot twee werkdagen voorafgaand aan de dag van de incidentele festiviteit het college daarvan melding doen indien:

    1. de inrichting is gelegen binnen een door het college aangewezen gebied, en;

    2. de incidentele festiviteit plaatsvindt in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus; en

    3. de activiteiten van de inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit activiteiten genoemd onder categorie 18.1 van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (horecabedrijven).

  3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar, waarvan maximaal 6 maal (ook) in de buitenruimte, de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan.

  4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  6. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  7. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 85 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.

  8. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de toeslag van 10 dB(A) vanwege herkenbaar muziekgeluid blijven buiten beschouwing.

  9. In geval er aanpandige woningen zijn, mag het equivalente geluidsniveau LaeqT, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 60 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.

  10. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19A en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening – van zondag tot en met donderdag – uiterlijk om 23.00 uur beëindigd en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.

  11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3a

Wijze van geluidmeten

  1. Metingen en berekeningen ter controle van voornoemde geluidsniveau’s vinden plaats overeenkomstig de HRMI-99.

  2. In tegenstelling tot de HRMI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast.

  3. In tegenstelling tot de HRMI-99 mogen metingen ook uitgevoerd worden met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 651:1979, type 2 geluidniveau meter.

  4. Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 meter en maximaal 2 meter boven plaatselijk maaiveld.

  5. Metingen in geluidgevoelige ruimten vinden plaats op ten minste de volgende afstanden: 1,5 m boven de vloer, 1,5 , van ramen en 1 m van muren.

  6. In geval het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien, als geluidgevoelige ruimten slechts op de hoger gelegen etages aanwezig zijn.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Voor de duur van 3 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Het college kan het aantal van 3 uren beperken of verruimen.

  3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder*

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. het in het eerste lid bepaalde verbod is in ieder geval van toepassing op werkzaamheden uitgevoerd op maandag tot en met vrijdag tussen 19.00 uur en 07.00 uur en/of in het weekend van vrijdag 19.00 uur tot maandag 07.00 uur.

  3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale Omgevingsverordening.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:6a

(Geluid)hinder in de openlucht*

  1. Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

  2. Het in het eerste lid bepaalde verbod is in ieder geval van toepassing op werkzaamheden uitgevoerd op maandag t/m vrijdag tussen 19:00 uur en 7:00 uur en/of in het weekend van vrijdag 19:00 uur tot maandag 7:00 uur.

  3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  4. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waarop het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangegeven categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.

  5. De in het vierde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  6. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, de provinciale Omgevingsverordening en/of het Bouwbesluit 2012.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:6b

(Geluid)hinder door dieren*

  1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale Omgevingsverordening.

Artikel 4:6c

(Geluid)hinder door bromfietsen e.d.*

  1. Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale Omgevingsverordening.

Artikel 4:6d

(Geluid)hinder door vrachtauto’s*

  1. Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale Omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:6e

(Geluid)hinder door schepen*

  1. Het is de schipper van een vaartuig dat ligplaats heeft ingenomen aan een wal in de openbare wateren, die is voorzien van elektrische stroomkasten, verboden gebruik te maken van aggregaten ten behoeve van de opwekking van elektriciteit.

  2. De schipper is voor de elektriciteitsvoorziening verplicht gebruik te maken van de in het eerste lid bedoelde stroomkasten.

  3. Het college kan van het in het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale Omgevingsverordening.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:7

Gemeentelijke werkzaamheden*

Het is verboden op een door het college – ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke diensten – aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen*

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9C

Verbod oplaten ballonnen*

  1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen;

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.

  3. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor luchtvaartuigen.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod ten behoeve van herdenkingsplechtigheden van één of meer overleden personen.

Artikel 4:10

Begripsbepalingen*

  1. De volgende begripsbepalingen gelden:

    1. bomen effect analyse (BEA): een beoordeling voor bomen, van de gevolgen van voorgenomen bouw- of aanlegwerkzaamheden, inclusief mitigerende en compenserende maatregelen voor het tegengaan van negatieve effecten op de bomen;

    2. bomenfonds: een gemeentelijke financiële voorziening voor de handhaving en uitbreiding van in de gemeente aanwezige (potentieel) beschermwaardige bomen;

    3. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het direct aansluitend terrein. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

    4. boomtechnisch deskundige: een theoretisch en praktisch deskundige op het gebied van bomen en aanverwante bomenzaken, in het bezit van het certificaat ‘European Tree Technician’ of gelijkwaardig;

    5. boomwaarde: de financiële waarde van een boom op basis van de actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

    6. Compensatiewaarde: de monetaire waarde van een boom conform het geldende beleid, die als compensatie bij kap kan worden opgelegd.

    7. dunnen: het verwijderen van individuele bomen binnen een groep van bomen ten gunste van de beoogde ontwikkeling van deze bomen;

    8. gemeentelijke boom: een boom in eigendom van de gemeente;

    9. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,

      behorende tot de soorten Scolytus scolytus(F.), Scolytus multistriatus (Marsch.) en Scolytus pygmaeus;

    10. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    11. kandelaberen en kandelaren: het voor de eerste maal afzetten van een bestaande, regulier uitgegroeide kroon tot takstompen, waardoor de boom het uiterlijk van een kandelaber of kandelaar krijgt, met als doelstelling het ingrijpend reduceren van de kroonomvang. In het geval van kandelaberen wordt 35 tot 50 procent van de gehele kroon verwijderd, bij kandelaren 50 tot 75 procent van de gehele kroon;

    12. kappen: het geheel of grotendeels bovengronds verwijderen van een boom;

    13. knotten: het periodiek terugzetten van de gehele kroon door middel van het verwijderen van opnieuw uitgelopen loten, twijgen en takken met als doelstelling het terugzetten van de kroon tot op de centrale knot;

    14. Kaarten beschermwaardige bomen: de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde kaarten met daarop voorkomend bomen die een bijzondere waarde hebben voor de leefomgeving en extra bescherming krijgen;

    15. mitigerende maatregelen: ‘verzachtende’ maatregelen die in stand te houden bomen beschermen tijdens de uitvoeringsfase van een ruimtelijk project;

    16. particuliere boom: een boom in eigendom van een particulier, bijvoorbeeld een burger, bedrijf of vereniging;;

    17. nulmeting: beperkt vooronderzoek van de bomen effect analyse. Het betreft een verkenning, waarbij de aanwezige bomen binnen de invloedssfeer van een toekomstige ruimtelijke ontwikkeling worden geïnventariseerd op basis van de actuele situatie.;

    18. rooien: het ondergronds verwijderen of bewerken van de stobbe en/of wortelkluit van een boom;

    19. ruimtelijke ontwikkeling: een ingrijpende verandering of aanpassing in de openbare ruimte,

      die mogelijk van invloed is op het voortbestaan van aanwezige bomen;

    20. taxateur van bomen: een boomtaxateur, officieel als zodanig geregistreerd bij de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

    21. vellen: het kandelaberen, kandelaren, knotten, kappen of rooien van een boom, met inbegrip van het verplanten alsmede het verrichten van andere handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging van de boom tot gevolg kunnen hebben. Hieronder valt ook het tenietgaan van een boom door natuurlijke oorzaak;

    22. (potentieel) beschermwaardige boom: een boom die voorkomt op één van de kaartenbeschermwaardige bomen.

  2. De toegestane afstand als bedoeld in artikel 42, lid 1 en 2 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bedraagt, in afwijking van de bepaling, voor het openbare gebied voor bomen 1 meter en voor heesters en heggen nihil.

  3. Voor aanwijzing van beschermwaardige bomen en potentieel beschermwaardige bomen, dient voldaan te worden aan één van de volgende criteria:

    1. De boom heeft een beeldbepalende waarde;

    2. De boom heeft een cultuurhistorische waarde;

    3. De boom heeft een ecologische- en/of natuurwaarde;

    4. De boom heeft een dendrologische waarde of heeft een unieke verschijningsvorm

    5. De boom heeft een vermelding als herdenkingsboom

  4. De in lid 3 benoemde criteria en de wijze van toetsing zijn vastgesteld in het Beleid voor beschermwaardige bomen 2019. Deze criteria worden gebruikt om de Lijst beschermwaardige bomen op te stellen. Het college stelt periodiek de lijst vast.

Artikel 4:11

Verbod vellen bomen*

  1. Het is verboden een beschermwaardige boom, die voorkomt op één van de kaarten beschermwaardige bomen zonder omgevingsvergunning te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor:

    1. het vellen van een boom krachtens de Plantenziektenwet;

    2. het vellen van een boom op bevel van de burgemeester in het kader van een spoedeisend belang;

    3. het terugzetten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen;

    4. het dunnen als beheermaatregel voor een boom;

  3. In afwijking van artikel 1.8 kan de vergunning in het eerste lid worden geweigerd op grond van:

    1. de beeldbepalende waarde van de boom;

    2. de cultuurhistorische waarde van de boom;

    3. de ecologische- of natuurwaarde van de boom;

    4. de dendrologische- of unieke waarde van de boom;

    5. de bijzondere vermelding van de boom als herdenkingsboom.

  4. De eigenaar van een boom die op één van de kaarten beschermwaardige bomen voorkomt, is verplicht schriftelijk aan de gemeente melding te doen van het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de boom anders dan door velling op grond van een verleende vergunning. Deze mededeling dient te geschieden onmiddellijk na het geheel of gedeeltelijk tenietgaan.

Artikel 4:12

Herplantplicht en overige voorschriften*

  1. Het college verbindt aan een vergunning voor het vellen van een boom in het openbare gebied in ieder geval als voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.

  2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een boom die de gevelde boom binnen een redelijke termijn kan vervangen, conform het Beleid voor beschermwaardige bomen 2019.

  3. Indien een boom in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zonder vergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond, dan wel aan degene die de boom heeft geveld dan wel heeft doen vellen.

  4. Het college kan eisen dat de monetaire waarde van een boom, inclusief de kosten voor aanleg van die boom, bij kap als compensatie in het bomenfonds moet worden gestort.

    1. Voor deze compensatie geldt het volgende:

      voordat het college een dergelijk voorschrift opneemt, kan van de aanvrager van de vergunning een taxatie van de boomwaarde (door een geregistreerd taxateur van bomen conform de richtlijnen van de NVTB) worden vereist;

    2. indien herplant op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, wordt er een bedrag in mindering gebracht op het (eventueel) te storten bedrag in het bomenfonds;

    3. de vaststelling van de hoogte en verrekening van de compensatie geschiedt conform het Beleid voor beschermwaardige bomen 2019.

  5. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de boom voorkomende flora en fauna.

  6. Het verbod in artikel 4.11, lid 1 geldt ook voor bomen die in het kader van herplant zijn aangeplant.

Artikel 4:12a

Gemeentelijk bomenfonds*

  1. Het college voorziet in het gemeentelijk bomenfonds.

  2. De gelden in het bomenfonds mogen worden gebruikt ten behoeve van de handhaving en uitbreiding van de in de gemeente aanwezige (potentieel) beschermwaardige bomen.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke*

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke, ontsierende of gevaarlijke reclame*

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht, ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt aangetast.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid kan het college nadere regels stellen.

  3. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definitie*

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen*

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen*

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014