Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden Alcoholwet
Afdeling Toezicht op de inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden burgemeester
Afdeling Toezicht op kamerverhuurinrichtingen
Afdeling Toezicht op ondernemersklimaat
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE, E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE VOORWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Afdeling

Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:

    1. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg, of;

    2. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of;

    3. het gebruik overlast oplevert voor gebruikers van de aanpalende onroerende zaak;

    4. het gebruik de openbare orde- en/of veiligheid op de weg nadelig beïnvloed of kan beïnvloeden.

  2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste in rechte lijn een vrije doorgang van 1,5 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

  3. Het in het eerste lid bepaalde verbod is niet van toepassing op:

    1. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    2. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

      1. geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;

      2. geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

      3. geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    4. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    5. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    6. ondergrondse afvalcontainers;

    7. terrassen als bedoeld in artikel 2:28a.

  4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving, bruikbaarheid van de weg of verkeersveiligheid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  5. Aankondigingen, reclameposters, verwijzingsbordjes of vergelijkbare zaken, mogen alleen geplaatst worden in of op de daarvoor bestemde voorzieningen en met toestemming van de gemeente.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebied activiteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg*

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebied activiteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg*

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van artikel 1.8 wordt de omgevingsvergunning door het college geweigerd indien::

    1. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    2. dat ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

    4. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    5. de uitweg in strijd is met het omgevingsplan.

  3. Het college kan nadere regels stellen in het belang van de verkeersveiligheid, het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter bescherming van groenvoorzieningen en de bruikbaarheid van de weg.

  4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebied activiteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes*

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

  1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer en/of weggebruikers en voetgangers het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.*

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode.

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn*

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014