1. De burgemeester kan aan een persoon die de artikelen 2:1 (samenscholing), artikel 2:26 (ordeverstoring evenement), artikel 2:33 (ordeverstoring in horecabedrijf), artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op een openbare plaats), artikel 2:48 (verboden drankgebruik), artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen), artikel 2:50 (hinderlijk gedrag voor in publiek toegankelijke ruimten), artikel 2:74 (drugshandel op straat), artikel 2:74a (openlijk drugsgebruik) of artikel 3:12 (straatprostitutie) van deze verordening overtreedt een tijdelijk verbod opleggen om een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden aanwezig te zijn.

  2. In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een tijdelijk verbod opleggen zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid is gegeven en die een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een tijdelijk verbod geven tijdelijk verbod opleggen zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden aanwezig te zijn.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.