1. Het college verbindt aan een vergunning voor het vellen van een boom in het openbare gebied in ieder geval als voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.

  2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een boom die de gevelde boom binnen een redelijke termijn kan vervangen, conform het Beleid voor beschermwaardige bomen 2019.

  3. Indien een boom in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zonder vergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond, dan wel aan degene die de boom heeft geveld dan wel heeft doen vellen.

  4. Het college kan eisen dat de monetaire waarde van een boom, inclusief de kosten voor aanleg van die boom, bij kap als compensatie in het bomenfonds moet worden gestort.

    1. Voor deze compensatie geldt het volgende:

      voordat het college een dergelijk voorschrift opneemt, kan van de aanvrager van de vergunning een taxatie van de boomwaarde (door een geregistreerd taxateur van bomen conform de richtlijnen van de NVTB) worden vereist;

    2. indien herplant op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, wordt er een bedrag in mindering gebracht op het (eventueel) te storten bedrag in het bomenfonds;

    3. de vaststelling van de hoogte en verrekening van de compensatie geschiedt conform het Beleid voor beschermwaardige bomen 2019.

  5. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de boom voorkomende flora en fauna.

  6. Het verbod in artikel 4.11, lid 1 geldt ook voor bomen die in het kader van herplant zijn aangeplant.