1. Advocaten en (medewerkers van) de Raad streven in wederzijds belang naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.

    Een advocaat die zich bij herhaling schuldig maakt aan onbehoorlijk of onheus optreden, zowel jegens medewerkers van de Raad als in bredere zin door zich in strijd met de algemeen geldende normen van fatsoen en redelijkheid in de beroepsuitoefening te gedragen, kan – nadat de advocaat op dit gedrag is aangesproken door de Raad en een formele waarschuwing heeft gekregen – van deelname aan het stelsel voor de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand worden uitgesloten.

  2. Advocaten onthouden zich van frauduleuze of onrechtmatige gedragingen of gedragingen in strijd met geldende wet- en regelgeving ten aanzien van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en overige door de Raad getroffen voorzieningen en subsidieregelingen.

  3. De Raad kan advocaten die handelen in strijd met het tweede lid met onmiddellijke ingang uitsluiten van deelname aan het stelsel voor de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand. De Raad stemt een eventuele uitsluiting af met de deken in het arrondissement waar de advocaat kantoor houdt.