1. De burgemeester vermeldt in een vergunning:

    1. de vergunninghouder;

    2. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    3. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt;

    4. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten, terrassen en andere aanhorigheden;

    5. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden.

  2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevende(n).

  3. Indien een leidinggevende, voor wier rekening en risico de activiteiten in de openbare inrichting worden uitgeoefend, geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting, waarvoor de vergunning wordt gevraagd, en de aanvrager van de vergunning dit in een schriftelijke verklaring bevestigt, maakt de burgemeester daarvan een aantekening op het aanhangsel.

  4. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in de voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.18b, lid 1, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 2.18b, lid 4, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.