1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen in het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid is opgelegd en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een tijdelijk verbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het opleggen van een eerder tijdelijk verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid opgelegde tijdelijke verboden, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd tijdelijk verbod.

  6. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.