Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 2016 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 2
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaats
Afdeling
Afdeling Toezicht op evenementen
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling
Afdeling Naaktrecreatie
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling 14 Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatsekswerk e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering
Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling

Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:12 Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  1. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak die vanaf de weg zichtbaar is:

    a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    b. met kalk, krijt, teer of een kleur of versfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  1. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  1. Het college wijst aanplakplaatsen aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  1. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  1. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  1. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:13

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het aannemelijk is of aannemelijk wordt gemaakt dat de bedoelde werktuigen niet bestemd zijn om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  1. Het is verboden op openbare plaatsen, in een winkel en in de nabijheid van een winkel een tas of een ander voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  1. Het in et derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:14

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair.

    b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen onroerende zaken onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.

  1. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:14a

Groepsfietsen

  1. Het is de bestuurder van een groepsfiets verboden zich met een groepsfiets te bevinden op door de burgemeester aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder bestuurder van een groepsfiets tevens verstaan, de aanbieder of exploitant van een groepsfiets.

  1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:14b

Straatmuzikanten

  1. Het is verboden om als straatmuzikant voor publiek op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  1. De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  1. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  2. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:15

Verboden drankgebruik en glasoverlast

  1. Het is verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat.

  1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, alcoholhoudende drank te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben.

  1. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:

    a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  1. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben.

  1. Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend.

  1. Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen.

Artikel 2:15a

Glasverbod (horeca)bedrijven

  1. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drank te verstrekken in drinkgerei van glas of in flessen van glas. Dit geldt voor:

    - de houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Horecaverordening 's-Hertogenbosch 2017 respectievelijk van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet;

    - een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht;

    - een warenhuis;

    - een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit;

    verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drank teverstrekken in drinkgerei van glas of in flessen van glas.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:

    a. in het inpandige gedeelte van een restaurant, van een afgescheiden restaurantgedeelte van een horecabedrijf, van een hotel of van een pension, dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen.

    b. voor glaswerk dat zodanig is verpakt of wordt vervoerd dat het aannemelijk is dat het niet voor onmiddellijk gebruik zal of kan worden aangewend.

  1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:16

Verboden gedragen bij of in gebouwen

  1. het is verboden:

    a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  1. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:17 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwiliestalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:17a

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  1. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  1. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    a. geluid- of geurhinder;

    b. hinder van dieren;

    c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:18

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 48 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.;

  1. De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgeleged en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd;

  1. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid;

  1. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord;

  1. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

Artikel 2:19

Neerzetten van fietsen e.d.

  1. Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen op de weg, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaatsen te laten staan.

  1. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan.

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Artikel 2:20

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

  1. Het is verboden met een fiets, bromfiets of een ander voertuig overlast of hinder te veroorzaken of te doen laten veroorzaken op een terrein waar en gedurende de tijden dat een warenmarkt, kermis, muziek- of toneeluitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden.

  1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden zich met een fiets, bromfiets of een ander voertuig te bevinden op door het college of de burgemeester (ieder voor zover het de eigen bevoegdheid betreft) aangewezen uren en plaatsen op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:21

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond binnen de gemeentegrenzen te laten verblijven of te laten lopen:

    a. op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;

    b. op een voor het publeik toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of op een andere door het college aangewezen plaats;

    c. zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  1. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.

  1. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Artikel 2:22

Verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    a. op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;

    b. op een voor het publeik toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats of zandbak;

    c. op een andere door het college aangewezen plaats.

  1. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a niet geldt.

  1. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  1. Degene die zich met een hond op of aan een openbare plaats bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep.

  1. Burgemeester en wethouders kunnen eisen vaststellen waaraan dit hulpmiddel ten minste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn.

Artikel 2:23

Gevaarlijke honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    a. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:21, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

  1. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    a. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is inericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een eringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

    b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

Artikel 2:24

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    a. aanwezig te hebben, of

    b. aanwezig te hebben anders danmet inachtingneming van de door hen gestelde regels, of

    c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  1. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtingeming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  1. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 2016