Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of een gedeelte ervan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats;
b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,5 meter breed en 2,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers en/of gemotoriseerd verkeer.
Het college kan - naast de uitzonderingen genoemd in het vijfde lid - categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
b. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:
1. elk onderdeel zich meer dan 2.20 meter boven dat gedeelte bevindt en
2. elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0.50 meter van het voor het rijveerkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en
3. elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1.50 meter buiten de opgaande gevel reikt;
c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, tenzij dit op grond van het zesde lid verboden is;
e. plantenbakken, indien zij geen gevaar of hinder opleveren en voor zover:
1. er maximaal twee plantenbakken per pand aanwezig zijn;
2. de plantenbak tegen de gevel geplaatst is;
3. de lengte- en breedtemaat van de plantenbak niet meer dan 40 cm is;
4. de plantenbak maximaal 90 cm hoog is;
5. de plantenbak van maximaal 90 cm met beplanting maximaal 120 cm hoog is.
Het is verboden op, in, over of boven een openbare plaats een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als:
a. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan een openbare plaats;
b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of
c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
De in het eerste lid genoemde vergunning wordt als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag verleend indien het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (opslag roerende zaken).
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsvergunning of Waterschapsverordening.